Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2023 in de zaak tussen
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister)
Procesverloop
Overwegingen
Inleiding
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De ondernemer vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021. De minister wees de aanvraag af omdat deze na het uiterste tijdstip van 18 mei 2021 17:00 uur was ingediend, namelijk op 19 mei 2021.
De ondernemer stelde dat hij door onjuiste informatie van zijn boekhouder en technische problemen met het digitale systeem van de RVO niet tijdig kon indienen. Hij voerde aan dat de coronaperiode stressvol was en dat de minister rekening had moeten houden met zijn situatie. De minister stelde dat er geen storing was en dat de aanvraag terecht was afgewezen omdat deze niet binnen de gestelde termijn was ontvangen.
Het College oordeelde dat de aanvraag inderdaad te laat was ingediend en dat de regeling geen hardheidsclausule bevat. De ondernemer had de concept-aanvraag al op 14 mei 2021 klaarstaan en had zelf gekozen om pas laat te starten met de aanvraag. De foutmelding werd niet met bewijs onderbouwd en er was geen storing bij de RVO vastgesteld. De omstandigheden van de ondernemer konden niet leiden tot een uitzondering op de regeling.
Daarom verklaarde het College het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van de subsidieaanvraag wegens te late indiening.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wegens te late indiening is ongegrond verklaard.