De maatschap exploiteert een veehouderij en kreeg van de minister een boete opgelegd wegens overtredingen van de Meststoffenwet in 2016, waaronder overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en administratieve fouten. De maatschap stelde onder meer dat de minister de gehanteerde marges niet tijdig openbaar had gemaakt, dat mestafvoer had plaatsgevonden en dat zij voldeed aan derogatievoorwaarden.
Het College oordeelt dat de marges ten tijde van het voornemen tot boeteoplegging wel openbaar waren, dat de maatschap onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat mestafvoer heeft plaatsgevonden, en dat de maatschap niet voldeed aan meerdere derogatievoorwaarden. Tevens is vastgesteld dat de minister ten onrechte een onjuiste feitcode gebruikte voor vier administratieve overtredingen, waardoor die boetes onterecht zijn opgelegd.
Verder is de redelijke termijn overschreden met zeven weken, wat leidt tot een matiging van de boete met 5%. Persoonlijke omstandigheden van de maatschap rechtvaardigen geen verdere matiging. Het College vernietigt het besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft, stelt de boete vast op € 24.954,60 en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.