Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam 2]en
[naam 3], te [plaats] (de ondernemer)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De ondernemer diende een aanvraag in voor de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2022, maar deze aanvraag werd door de minister afgewezen omdat deze na de uiterste indieningsdatum was ingediend. De ondernemer erkende de te late indiening en voerde aan dat de kortere aanvraagperiode en de omstandigheden rondom zijn bedrijfsvoering hem verhinderden tijdig te zijn.
De minister stelde dat de aanvraag terecht werd afgewezen omdat de aanvraagtermijn duidelijk was vastgesteld en gecommuniceerd via de regeling en de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Ook verwees de minister naar de mogelijkheid voor ondernemers om herinneringen te ontvangen en benadrukte dat het de eigen verantwoordelijkheid van de ondernemer is om tijdig een aanvraag in te dienen.
Het College oordeelde dat het afwijzen van de aanvraag niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat de minister niet verplicht is ondernemers persoonlijk te informeren over wijzigingen in de regeling. De ondernemer liep het risico van de te late indiening zelf en de financiële gevolgen daarvan komen voor zijn rekening. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de subsidieaanvraag wordt afgewezen wegens te late indiening.