Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] B.V., te [plaats] ( [naam 1] )
en
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Deze zaak betreft het hoger beroep van een ggz-aanbieder tegen het besluit van ACM om een handhavingsverzoek af te wijzen dat gericht was tegen de erkenningseisen van de Federatie van Gezondheidszorgpsychologen en Psychotherapeuten (FGzPt) voor opleidingen tot gz-psycholoog en psychotherapeut. De appellant stelde dat deze erkenningseisen mededingingsbeperkend zijn en dat ACM bevoegd is om handhavend op te treden.
De rechtbank Rotterdam had reeds geoordeeld dat het aanbieden van praktijkopleidingsplaatsen binnen deze vervolgopleidingen hoofdzakelijk door de overheid wordt gefinancierd, waardoor het geen economische activiteit betreft en buiten de reikwijdte van de Mededingingswet valt. ACM handhaafde dit standpunt en wees het handhavingsverzoek af.
In hoger beroep heeft het College van Beroep dit oordeel bevestigd. Het College overwoog dat het stelsel van publieke financiering via de beschikbaarheidbijdrage en andere publieke middelen het karakter van niet-economische activiteit bepaalt. Hoewel een deel van de opleidingsplaatsen niet met een beschikbaarheidbijdrage wordt gefinancierd, is onduidelijk of deze daadwerkelijk privaat gefinancierd zijn. Zelfs indien dat het geval zou zijn, verandert dat niets aan het niet-economische karakter van de opleiding binnen het wettelijk kader.
Het College concludeert dat ACM terecht niet bevoegd is handhavend op te treden tegen de erkenningseisen van FGzPt. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat ACM niet bevoegd is handhavend op te treden omdat de opleidingen hoofdzakelijk publiek gefinancierd zijn.