Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] te [plaats] ( [naam 1] ),
de besloten vennootschap B.V. [naam 2] en
Stichting [naam 4](tezamen: klagers)
,ingediend tegen [naam 1] .
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De accountant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de accountantskamer waarin hij werd berispt wegens het handelen in strijd met gedrags- en beroepsregels. De klacht betrof onder meer het onjuist aangeven van omzet en btw, en het niet tijdig delen van een belastende rapportage uit een Bibob-onderzoek.
De accountant voerde aan dat de accountantskamer de stukken uit het Bibob-onderzoek niet had mogen gebruiken vanwege een geheimhoudingsplicht, en dat dit een schending van zijn rechten onder het EVRM betekende. Klagers stelden het hoger beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van gronden en machtiging.
Het College oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk was omdat het beroepschrift voldoende gronden bevatte en de gemachtigde bevoegd was. De stukken uit het Bibob-onderzoek mochten volgens het College wel worden gebruikt, omdat de accountantskamer niet valt onder de definitie van 'rechter' in de Wet Bibob. Er was geen schending van artikel 6 en Pro 14 EVRM. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt dat in tuchtprocedures stukken uit een Bibob-onderzoek kunnen worden betrokken, mits de procedurele rechten van de betrokkene worden gewaarborgd. Het College gaf geen aanleiding tot het toestaan van aanvullende beroepsgronden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de accountant wordt ongegrond verklaard en de berisping bevestigd.