ECLI:NL:CBB:2023:86
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herzieningsverzoek invorderingsbesluit dwangsom taxivervoer zonder vergunning
Appellant kreeg op 13 juni 2017 een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000, dat taxivervoer zonder vergunning verbiedt. Op 22 juli 2017 stelde de handhaving een proces-verbaal op waaruit bleek dat appellant taxivervoer aanbood. Dit leidde tot een invorderingsbesluit van € 10.000,- dwangsom.
Appellant verzocht om herziening van dit besluit nadat de officier van justitie op 30 januari 2020 een sepot uitte wegens onvoldoende bewijs in de strafrechtelijke procedure. Verweerder wees het herzieningsverzoek af omdat in het bestuursrecht minder strenge bewijsregels gelden dan in het strafrecht en het proces-verbaal voldoende grondslag bood voor het bestuursrechtelijke oordeel.
Het College oordeelt dat het sepot niet betekent dat het bestuursrechtelijke besluit onjuist is. De onschuldpresumptie uit artikel 6 EVRM Pro geldt in het bestuursrecht alleen als het strafrechtelijke geschilpunt onherroepelijk is beslecht, wat hier niet het geval is omdat het strafproces niet is voortgezet. Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot invordering van de dwangsom wegens taxivervoer zonder vergunning wordt ongegrond verklaard.