Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2024 in de zaak tussen
[naam 2], te [plaats] (de ondernemer)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De ondernemer diende een aanvraag in voor subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2022. Deze aanvraag werd door de minister afgewezen omdat deze buiten de daarvoor geldende aanvraagperiode was ingediend. De ondernemer voerde aan dat hij vanwege coronagerelateerde overbelasting en onduidelijkheid over de aanvraagprocedure te laat was met indienen. Tevens stelde hij dat het telefonisch onderhoud op 10 augustus 2022 niet als hoorzitting werd ervaren.
De minister handhaafde het besluit en stelde dat de aanvraagperiode duidelijk was en dat de ondernemer geen ziekte of ernstige omstandigheden had die tijdige indiening onmogelijk maakten. Het College oordeelde dat de aanvraag inderdaad te laat was ingediend en dat dit een dwingende afwijzingsgrond is volgens de TVL. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Hoewel het College constateerde dat de hoorplicht mogelijk was geschonden omdat niet duidelijk was dat het telefoongesprek een hoorzitting betrof, werd dit gebrek gepasseerd omdat de ondernemer voldoende gelegenheid had gehad zijn standpunten te uiten. Het College bepaalde dat de minister het betaalde griffierecht aan de ondernemer moet vergoeden. De afwijzing van de subsidieaanvraag blijft in stand.
Uitkomst: De subsidieaanvraag voor het eerste kwartaal 2022 is terecht afgewezen wegens te late indiening; het griffierecht wordt vergoed.