De onderneming, een varkenshouderij, vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020. De subsidie wordt alleen verstrekt indien het omzetverlies ten minste 30% bedraagt, berekend ten opzichte van het vierde kwartaal van 2019. De onderneming gaf een hogere referentieomzet op dan de omzetbelastingaangifte vanwege bijzondere omstandigheden in 2019, namelijk een bacteriële besmetting die leidde tot het ruimen van de veestapel.
De minister wees de aanvraag aanvankelijk af omdat de omzet volgens de aangifte niet voldeed aan de 30%-drempel. Na bezwaar besloot de minister af te wijken van de standaard referentieperiode en gebruikte de gemiddelde kwartaalomzet van 2020 als referentie, wat resulteerde in een subsidie van € 15.002,29. De onderneming betoogde dat deze omzet niet representatief was vanwege coronamaatregelen in Q3 en Q4 2020 en stelde voor om alleen Q1 en Q2 2020 als referentie te gebruiken.
Het College oordeelde dat de minister conform de gedragslijn heeft gehandeld door een alternatieve referentieperiode te onderzoeken en dat de keuze voor de gemiddelde kwartaalomzet van 2020 niet onevenredig is. De hogere omzet in Q1 en Q2 2020 leidt niet tot een representatievere referentie dan de gehanteerde gemiddelde kwartaalomzet van 2020. Het beroep van de onderneming faalt, en het College verklaart het beroep ongegrond zonder proceskostenveroordeling.