ECLI:NL:CBB:2024:280

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
25 maart 2024
Publicatiedatum
18 april 2024
Zaaknummer
22/2504
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep ondernemer wegens onvoldoende omzetverlies voor TVL-subsidie

Een ondernemer maakte bezwaar tegen de beslissing van de minister van Economische Zaken en Klimaat om de subsidie voor het eerste kwartaal van 2021 op nihil vast te stellen. De ondernemer stelde dat de minister ten onrechte geen rekening had gehouden met het verschil tussen het kasstelsel in de referentieperiode (Q1 2019) en het factuurstelsel in de subsidieperiode.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de minister de regeling voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) correct had toegepast door het omzetverlies te berekenen op basis van de omzetbelastingaangiften. Hoewel dit nadelig was voor de ondernemer, biedt de regeling geen ruimte voor afwijkingen of een hardheidsclausule.

Verder stelde het College vast dat er geen sprake was van een uitzonderlijk geval dat een uitzondering zou rechtvaardigen. De wijziging in de administratie van de ondernemer was onvoldoende om het besluit aan te passen. Omdat de ondernemer niet voldeed aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies, was de minister bevoegd om de subsidie op nihil vast te stellen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van de ondernemer wordt ongegrond verklaard en de subsidie wordt op nihil vastgesteld.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/2504
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024
Raadsheer: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems

Partijen

[naam 1]handelend onder de naam
[naam 2], te [plaats] (ondernemer), vertegenwoordigd door de ondernemer en J. Lont
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De ondernemer is het er niet mee eens dat de minister de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil heeft vastgesteld. De minister heeft volgens de ondernemer er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de omzet in de referentieperiode (Q1 van 2019) is gebaseerd op het kasstelsel en de omzet in de subsidieperiode op het factuurstelsel.
2 Het College geeft de ondernemer geen gelijk. De minister heeft de TVL goed toegepast door bij de berekening van het omzetverlies uit te gaan van de aangiften omzetbelasting. Hoewel dit nadelig uitpakt voor de ondernemer, biedt de TVL geen mogelijkheid om hiervan af te wijken. De regelgever heeft namelijk geen hardheidsclausule opgenomen in de TVL. Niet is gebleken dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het bestreden besluit onevenredig nadelig uitpakt, zodat de minister alsnog een uitzondering moest maken. De wijziging die de ondernemer om praktische redenen heeft doorgevoerd in zijn administratie, is hiervoor onvoldoende.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister was daarom bevoegd om op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil vast te stellen.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems