Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Partijen
[naam 2], te [plaats] (ondernemer), vertegenwoordigd door de ondernemer en J. Lont
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Een ondernemer maakte bezwaar tegen de beslissing van de minister van Economische Zaken en Klimaat om de subsidie voor het eerste kwartaal van 2021 op nihil vast te stellen. De ondernemer stelde dat de minister ten onrechte geen rekening had gehouden met het verschil tussen het kasstelsel in de referentieperiode (Q1 2019) en het factuurstelsel in de subsidieperiode.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de minister de regeling voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) correct had toegepast door het omzetverlies te berekenen op basis van de omzetbelastingaangiften. Hoewel dit nadelig was voor de ondernemer, biedt de regeling geen ruimte voor afwijkingen of een hardheidsclausule.
Verder stelde het College vast dat er geen sprake was van een uitzonderlijk geval dat een uitzondering zou rechtvaardigen. De wijziging in de administratie van de ondernemer was onvoldoende om het besluit aan te passen. Omdat de ondernemer niet voldeed aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies, was de minister bevoegd om de subsidie op nihil vast te stellen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de ondernemer wordt ongegrond verklaard en de subsidie wordt op nihil vastgesteld.