Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 mei 2024 op het hoger beroep van:
[naam] B.V., te [plaats] (slachthuis)
(gemachtigde: F.Th.M. Peters),
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Op 19 juni 2018 constateerde de NVWA tijdens een inspectie bij het slachthuis zichtbare verontreinigingen op varkenskarkassen die niet onmiddellijk werden verwijderd. De minister legde daarop een boete van €7.500,- op, verhoogd wegens recidive. Het slachthuis stelde in hoger beroep dat de minister het gelijkheidsbeginsel had geschonden door andere slachterijen te gedogen en dat de boete disproportioneel was vanwege de aanwezigheid van latere HACCP-controlepunten waar verontreinigingen alsnog verwijderd zouden worden.
Het College stelde vast dat het slachthuis de feiten niet betwistte en oordeelde dat de minister niet gehouden was onderzoek te doen naar andere slachterijen zonder concrete aanwijzingen. Het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden. Verder stelde het College dat volgens de geldende EU-verordening elke zichtbare verontreiniging vóór de postmortem-keuring onmiddellijk moet worden verwijderd om kruisbesmetting en volksgezondheidsrisico's te voorkomen.
De latere verwijdering van bezoedelingen en het passeren van HACCP-controlepunten na de keuring konden geen reden zijn tot matiging. Ook het afspoelen van karkassen in de koelruimte maakte het noodzakelijk dat verontreinigingen eerder werden verwijderd. De boete werd daarom bevestigd en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 september 2021 gehandhaafd.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €7.500,- wegens het niet onmiddellijk verwijderen van zichtbare verontreinigingen op varkenskarkassen wordt bevestigd.