ECLI:NL:CBB:2024:375
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proces-verbaal
- H. van den Heuvel
- Rechtspraak.nl
College van Beroep bevestigt juiste toepassing omzetbelasting bij TVL-subsidie
De onderneming maakte bezwaar tegen de beslissing van de minister van Economische Zaken en Klimaat om de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021 op nihil vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen. De minister stelde dit omdat de onderneming niet voldeed aan de voorwaarde van minimaal 30% omzetverlies.
De onderneming voerde aan dat de minister ten onrechte uitging van de gefactureerde omzet uit de aangifte omzetbelasting en niet van de gerealiseerde omzet, en dat dit tot een onevenredig nadelig besluit leidde. Tevens vergeleek zij de situatie met de NOW-regeling, waarin wel rekening wordt gehouden met de werkelijke situatie.
Het College oordeelde dat de minister de TVL-regeling correct heeft toegepast en dat de aangifte omzetbelasting de juiste basis vormt voor de vaststelling van de omzet. De datum van de factuur bepaalt het tijdvak van de btw-afdracht, niet de datum van levering of realisatie. De vergelijking met de NOW-regeling is niet relevant omdat het om verschillende regelingen met verschillende voorwaarden gaat.
Verder concludeerde het College dat het besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat er geen sprake is van een uitzonderlijk geval dat een afwijking rechtvaardigt. De minister heeft binnen zijn bevoegdheid gehandeld door de subsidie op nihil vast te stellen en het voorschot terug te vorderen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen de nihilvaststelling van de TVL-subsidie werd ongegrond verklaard.