ECLI:NL:CBB:2024:430
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens onvoldoende omzetverlies startende onderneming
De ondernemer, die haar restaurant op 1 november 2019 heeft geopend, vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021. De minister stelde de subsidie vast op nihil en vorderde het betaalde voorschot terug omdat de ondernemer niet voldeed aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies.
De ondernemer voerde aan dat de gehanteerde referentieperiode (december 2019 tot en met februari 2020) ongeschikt en oneerlijk was, omdat zij in de eerste negen dagen van die periode nog geen omzet had en de omzet in de eerste maanden niet representatief was. Zij verzocht om het derde kwartaal van 2020 als referentieperiode te gebruiken.
De minister stelde dat de regeling voor startende ondernemingen uitdrukkelijk bepaalt dat de drie maanden volgend op de maand van inschrijving in het handelsregister als referentieperiode gelden, zonder ruimte voor afwijking. Het College oordeelde dat de minister terecht geen andere referentieperiode hanteerde, omdat de ondernemer wel omzet heeft behaald in de referentieperiode en er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn die een uitzondering rechtvaardigen.
Het College concludeerde dat de subsidie terecht op nihil is vastgesteld en dat het beroep ongegrond is. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de ondernemer is ongegrond verklaard en de subsidie is terecht vastgesteld op nihil wegens onvoldoende omzetverlies.