ECLI:NL:CBB:2024:448
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens onvoldoende omzetverlies
Een ondernemer die een taxibedrijf exploiteert, vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2022. De minister verleende aanvankelijk een voorlopige subsidie en betaalde een voorschot uit, maar stelde later de subsidie definitief vast op nihil omdat uit de aangiften omzetbelasting bleek dat het omzetverlies minder dan 30% bedroeg ten opzichte van het eerste kwartaal van 2019.
De ondernemer voerde aan dat de verkoopopbrengst van een bedrijfsauto, die in de omzetbelastingaangifte was opgenomen, niet als omzet mocht worden beschouwd omdat hij geen winst had gemaakt en de opbrengst was gebruikt voor de aanschaf van een nieuwe auto. Het College verwierp dit standpunt omdat de regeling expliciet bepaalt dat de omzet wordt vastgesteld op basis van de omzetbelastingaangiften, mede om administratieve lasten te beperken.
Het College verwees naar eerdere uitspraken waarin dit uitgangspunt werd bevestigd en oordeelde dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat de ondernemer niet voldeed aan het vereiste omzetverlies van minimaal 30%. Op grond van de regeling mocht de minister de subsidie op nihil vaststellen en het betaalde voorschot terugvorderen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep van de ondernemer tegen de afwijzing van de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wordt ongegrond verklaard.