ECLI:NL:CBB:2024:46
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen toekenning fosfaatrechten aan feitelijke houder runderen volgens Meststoffenwet
Appellant exploiteert een veehouderij waar in 2015-2016 runderen waren gestald die eigendom waren van een derde partij. De minister stelde het fosfaatrecht van appellant op nul kilogram vast en verklaarde het bezwaar ongegrond, omdat appellant niet als houder van de dieren werd gezien.
Appellant voerde aan dat hij feitelijke houder was vanwege de verzorging en exploitatie van de locatie en dat er een mondelinge overeenkomst bestond met de eigenaar van de runderen. De minister en de derde partij stelden echter dat de eigenaar van de dieren volledige zeggenschap had en dat appellant slechts een vergoeding ontving voor het gebruik van de stal en verzorging.
Het College oordeelde dat de registratie in het I&R-systeem leidend is, tenzij wordt aangetoond dat deze niet de werkelijke situatie weergeeft. Uit de feiten blijkt dat de eigenaar van de dieren de zeggenschap had, inclusief het bepalen van aankomst, vertrek en verzorging, terwijl appellant alleen de stal exploiteerde en verzorgde tegen vergoeding.
Het College concludeerde dat appellant terecht niet als houder werd aangemerkt en daarom geen fosfaatrechten toekomen. De financiële benadeling van appellant door het besluit leidt niet tot onrechtmatigheid. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en hij komt niet in aanmerking voor fosfaatrechten.