ECLI:NL:CBB:2024:484
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over vaststelling feitelijke activiteiten voor subsidie vaste lasten COVID-19
De onderneming heeft subsidies aangevraagd op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q1 en Q2 2021. De minister wees de subsidie voor Q2 2021 af en stelde de subsidie voor Q1 2021 lager vast, omdat hij concludeerde dat de onderneming actief is in de visserij- en aquacultuursector. Hierdoor geldt voor haar een staatssteunplafond van € 270.000.
De onderneming betwist dat zij onder deze sector valt en beroept zich op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, omdat andere groothandels die visproducten leveren niet aan dit plafond zijn gebonden en eerdere subsidies zonder plafond werden toegekend. De minister verwijst naar eerdere jurisprudentie en stelt dat de onderneming verbonden is met ondernemingen die wel actief zijn in de visserijsector.
Het College constateert dat de minister niet heeft onderzocht wat de feitelijke activiteiten van de onderneming zijn en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze onder de visserij- en aquacultuursector valt. Dit leidt tot een zorgvuldigheidsgebrek. Het College draagt de minister op binnen acht weken dit gebrek te herstellen door de feitelijke activiteiten vast te stellen en op basis daarvan te beoordelen of de onderneming onder de sector valt. Daarna krijgt de onderneming gelegenheid om te reageren, waarna het College zonder nadere zitting uitspraak zal doen. Alle verdere beslissingen worden aangehouden tot de einduitspraak.
Uitkomst: Minister moet binnen acht weken het gebrek in de bestreden besluiten herstellen door feitelijke activiteiten van de onderneming vast te stellen.