ECLI:NL:CBB:2024:514

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
23 juli 2024
Publicatiedatum
19 juli 2024
Zaaknummer
23/706 en 23/1399
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbRegeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 bij niet voldoen aan omzetverliescriteria

De minister van Economische Zaken heeft de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de onderneming voor de periodes oktober-december 2021 en januari-maart 2022 vastgesteld op nul euro vanwege het niet behalen van de vereiste omzetverliespercentages van respectievelijk 20% en 30%. De onderneming had eerder voorschotten ontvangen die vervolgens werden teruggevorderd.

De onderneming heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten, maar deze zijn door de minister ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de onderneming beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College heeft geoordeeld dat de minister terecht is uitgegaan van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting voor het bepalen van het omzetverlies, ook al bevat deze omzet mogelijk vooruit gefactureerde bedragen die betrekking hebben op andere kwartalen.

Het College verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bevestigd dat het gebruik van omzetbelastingaangiften een bewuste keuze is van de regelgever om de uitvoerbaarheid en administratieve lasten te beperken. Het verzoek van de onderneming om het omzetverlies op basis van de eigen financiële administratie te berekenen wordt afgewezen. De beroepen worden daarom ongegrond verklaard en de subsidie blijft vastgesteld op nul euro.

Uitkomst: De beroepen van de onderneming tegen de vaststelling van de subsidie worden ongegrond verklaard en de subsidie blijft vastgesteld op nul euro.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 23/706 en 23/1399
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaken tussen

[naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)

en

de minister van Economische Zaken

Procesverloop

Met het besluit van 8 november 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor de periode oktober tot en met december 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 19.632,63 teruggevorderd.
Met het besluit van 16 januari 2023 (bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
Met het besluit van 9 maart 2023 heeft de minister de op grond van de TVL aan de onderneming verleende subsidie voor de periode januari tot en met maart 2022 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 36.588,64 teruggevorderd.
Met het besluit van 4 mei 2023 (bestreden besluit 2) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De minister heeft een verweerschrift ingediend in de zaak over de periode oktober tot en met december 2021.

Beoordeling

Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van de beroepschriften en de andere stukken in de dossiers over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is. Omdat het College over voldoende informatie beschikt, ziet het geen reden om tegemoet te komen aan het verzoek van de onderneming om gehoord te worden op een zitting.
De minister heeft de subsidie over de periode oktober tot en met december 2021 vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste in de TVL van ten minste 20% omzetverlies. De subsidie over de periode januari tot en met maart 2022 is vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste in de TVL van ten minste 30% omzetverlies.
De onderneming voert aan dat het omzetverlies ten onrechte is berekend op basis van de bedragen zoals opgenomen in de aangiften omzetbelasting. Daarin zit namelijk ook omzet die niet op de betreffende kwartalen ziet, maar vooruit gefactureerd is. De onderneming verzoekt daarom het omzetverlies te berekenen op basis van de financiële administratie van de onderneming, en niet uit te gaan van de omzet die uit de aangiften omzetbelasting blijkt.
4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting mag gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:306) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). [1] Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangiften omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister er bij de berekening van het omzetverlies terecht geen rekening mee heeft gehouden dat (een deel van) de aan de Belastingdienst opgegeven omzet eigenlijk betrekking heeft op andere kwartalen.
5 De beroepen zijn (kennelijk) ongegrond.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
w.g. B. Bastein w.g. L.N. Foppen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.

Voetnoten

1.Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.