De onderneming diende een subsidieaanvraag in voor de TVL over het tweede kwartaal van 2021, die door de minister werd afgewezen wegens onvoldoende omzetverlies. De onderneming maakte bezwaar en verzocht om herziening, maar dit verzoek werd door de minister afgewezen. De onderneming stelde dat zij niet tijdig kennis had genomen van het besluit omdat het niet per post was ontvangen en ook geen e-mailnotificatie was verzonden.
Het College oordeelde dat de minister niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit per post was verzonden, waardoor het beroep tijdig was ingediend en ontvankelijk werd verklaard. Inhoudelijk stelde de onderneming dat zij een suppletieaangifte had gedaan die een hogere omzet voor de referentieperiode aangaf, wat een nieuw feit zou zijn. De minister stelde dat dit geen nieuw feit was, omdat het de verantwoordelijkheid van de ondernemer is om juiste gegevens aan te leveren.
Het College concludeerde dat de onderneming ten tijde van de aanvraag al over de juiste omzetgegevens beschikte en dat het ontbreken van tijdig bezwaar maken tegen het afwijzingsbesluit betekent dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Ook was de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.