ECLI:NL:CBB:2024:646

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
24 september 2024
Publicatiedatum
17 september 2024
Zaaknummer
20/764
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWet dieren
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College van Beroep voor het bedrijfsleven herroept besluit en veroordeelt minister tot proceskostenvergoeding

In deze zaak stond het hoger beroep van een appellant tegen een besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur centraal. De appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit van 31 januari 2019, dat later door de minister via herzieningsbesluiten van 22 juli 2024 en 2 september 2024 werd herroepen. Hiermee kwam de minister geheel tegemoet aan het bezwaar van de appellant.

De appellant trok daarop het hoger beroep ter zitting in en verzocht om veroordeling van de minister in de proceskosten van zowel het beroep als het hoger beroep. Het College stelde vast dat de minister reeds een kostenvergoeding voor de bezwaarfase had toegekend en dat het boetebedrag aan de appellant werd teruggestort.

Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht veroordeelde het College de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep, vastgesteld op € 3.500,-. Daarnaast werd de minister opgedragen het betaalde griffierecht van € 532,- aan de appellant te vergoeden. Hiermee werd het bestreden besluit herroepen en de proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het College herroept het bestreden besluit en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de appellant.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 20/764
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2024 op het hoger beroep van:

[naam 1] te [woonplaats] ( [naam 1] ),

(gemachtigde: mr. F.th.M. Peters),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2020, kenmerk ROT 19/1157, in het geding tussen
[naam 1]
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. M. Kool).

Samenvatting

In deze uitspraak veroordeelt het College de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep en het hoger beroep omdat de minister aan [naam 1] is tegemoetgekomen.

Beoordeling

1. Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het (hoger)beroepschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.
3 Het College stelt vast dat [naam 1] het hoger beroep ter zitting heeft ingetrokken met daarbij het verzoek de minister in de proceskosten te veroordelen van het beroep en hoger beroep. Reden hiervoor is dat de minister met de herzieningsbesluiten van 22 juli 2024 en
2 september 2024 het bezwaar van [naam 1] alsnog gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit van 31 januari 2019 heeft herroepen. Hierbij heeft de minister aan [naam 1] een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. Het reeds betaalde boetebedrag krijgt [naam 1] teruggestort. Met de herzieningsbesluiten is de minister dus aan [naam 1] tegemoetgekomen.
4 Nu de minister aan [naam 1] is tegemoetgekomen, ziet het College aanleiding de minister tot vergoeding van de proceskosten in zowel hoger beroep als beroep te veroordelen. Deze kosten worden vastgesteld op € 3.500,- (in hoger beroep: 1 punt ter waarde van € 875,- voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt ter waarde van € 875,- voor het verschijnen van de gemachtigde ter zitting en in beroep: 1 punt ter waarde van € 875,- voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt ter waarde van € 875,- voor het verschijnen van de gemachtigde ter zitting met een wegingsfactor 1,0). Voor een (nadere) kostenveroordeling in bezwaar bestaat geen aanleiding, omdat de minister hiervoor in het herzieningsbesluit al een vergoeding (€ 1.872,-) conform het Bpb heeft toegekend.
5 Het College ziet verder aanleiding de minister op te dragen het betaalde griffierecht in beroep aan [naam 1] te vergoeden. Ter voorlichting aan partijen merkt het College nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht in hoger beroep ten bedrage van € 532,- te vergoeden voor de minister rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:108, eerste lid, in samenhang met artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.

Beslissing

Het College:
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van € 3.500,-;
  • draagt de minister op het door [naam 1] in beroep betaalde griffierecht van € 532,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van E. van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. E. van Kampen