Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
De Nederlandsche Bank N.V., te Amsterdam (DNB)
BK Corporate International B.V.,
ROT 20/4332, ROT 20/6216 en ROT 21/62, in het geding tussen
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
29 november 2018 (definitieve onderzoeksrapport).
(…)”
Uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
rechtshandelingen het bestuur van BK zou kunnen of moeten verrichten om aan de aanwijzing te voldoen. Uit de correspondentie blijkt dat de curator zijn taak niet zo heeft opgevat als in de wet is neergelegd. In e-mails (…) schrijft hij: ‘dat is niet mijn taak’, ‘het is niet de curator maar (het bestuur van) BK die verantwoordelijk is voor de opvolging van de aanwijzing en het is DNB die aan het eind van de rit beoordeelt of volledig aan de aanwijzing is voldaan’, ‘zonder te beoordelen of BK met dit document een correcte invulling geeft’ en ‘ik ga niet op de stoel van het bestuur zitten’ en bijvoorbeeld in het curatorverslag no. 2 (…) op p. 6: ‘opeens gaat het over mijn curatorrol (…) ik zie er op toe dat de opvolging van de aanwijzing op een goede manier gebeurt’. Deze taakopvatting van de curator is gelet op (…) de opdracht door DNB zonder meer begrijpelijk, maar de wetgever gaat uit van een meer sturende en besluitvormende taak van de curator. In praktijk is gebleken dat de beperkte opdracht en taakopvatting tot onduidelijkheid (…) en problemen bij het bestuur van de BK Groep hebben geleid en dat een aantal malen tevergeefs om goedkeuring/commitment is gevraagd. Gelet op de tekst en de strekking van de wet zijn deze verzoeken begrijpelijk. De curator heeft echter geen duidelijke instructies gegeven aan het bestuur van de BK Groep of besluiten genomen ter opvolging van de aanwijzing.
(Kamerstukken II, 2017-2018, 34910, nr. 3, p. 73) staat onder meer het volgende:
Beslissing
6 februari 2024.