ECLI:NL:CBB:2024:724

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
16 oktober 2024
Zaaknummer
23/1268
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 Tijdelijke subsidieregeling evenementen 2022Artikel 3 Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag wegens niet voldaan aan evenementenverbod bij annulering

De onderneming diende op 23 december 2022 een subsidieaanvraag in voor een evenement gepland op 29 januari 2022, dat op 17 januari 2022 werd geannuleerd. De minister wees de aanvraag af omdat op het moment van annulering geen evenementenverbod gold voor de datum van het evenement. De onderneming maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna beroep werd ingesteld.

Het College overwoog dat artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke subsidieregeling evenementen 2022 vereist dat een evenement geannuleerd moet zijn vanwege een evenementenverbod dat geldt op de datum van het evenement. Omdat dit niet het geval was, was de minister gebonden aan afwijzing van de subsidie.

De onderneming voerde aan dat het evenredigheidsbeginsel toepassing zou moeten vinden, maar het College oordeelde dat dit niet tot afwijking leidt bij gebonden bevoegdheid. Er waren geen bijzondere omstandigheden die het besluit onevenwichtig maken. De eerdere jurisprudentie bevestigde deze lijn, ook bij internationale evenementen.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1268

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming)

en

de minister van Economische Zaken

(gemachtigden: mr. A.M.D. Dijkstra en mr. S. Piron)

Procesverloop

Met het besluit van 30 december 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor subsidie op grond van de Tijdelijke subsidieregeling evenementen 2022 (Regeling) afgewezen.
Met het besluit van 7 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 1 oktober 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] , namens de onderneming, en de gemachtigden van de minister.

Overwegingen

Inleiding
1 De onderneming heeft op 23 december 2022 een aanvraag gedaan op grond van de Regeling voor het evenement “An evening with [naam 3] ”, dat stond gepland op 29 januari 2022. Op 17 januari 2022 heeft de onderneming dit evenement geannuleerd. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat op het moment dat de onderneming het evenement annuleerde voor de geplande datum van het evenement geen evenementenverbod gold of was aangekondigd. De onderneming is het niet eens met de afwijzing.
Beoordeling door het College
Voldoet de onderneming aan de vereisten voor recht op subsidie op grond van de Regeling?
2.1
Artikel 3, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de minister aan de organisator van een evenement op aanvraag subsidie verstrekt ter dekking van de kosten voor het organiseren van een evenement dat niet plaatsvindt omdat het moet worden geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod.
2.2
In de uitspraak van 13 februari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:88) heeft het College overwogen dat uit het laatste gedeelte van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19 (ATE) volgt dat op het moment dat een evenement wordt geannuleerd, sprake moet zijn van een evenementenverbod voor de datum waarop het evenement plaatsvindt. Anders wordt het evenement immers niet geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod. Nu artikel 3, eerste lid, van de Regeling nagenoeg gelijk is aan artikel 3, eerste lid, van de ATE, geldt die conclusie ook voor deze bepaling.
2.3
Op het moment dat de onderneming het evenement annuleerde, was er weliswaar een evenementenverbod, maar nog niet voor de datum waarop het evenement zou plaatsvinden. Dat betwist de onderneming ook niet. Het College overweegt dat artikel 3, eerste lid, van de Regeling aan de minister een gebonden bevoegdheid geeft. Dat betekent dat de minister de subsidie niet mag verstrekken als niet wordt voldaan aan het vereiste in deze bepaling. De onderneming heeft het evenement niet geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod voor de datum van het geplande evenement en voldoet dus niet aan dit vereiste van dit artikel. De Regeling bevat geen hardheidsclausule.
Kan de onderneming een geslaagd beroep doen op het evenredigheidsbeginsel?
3.1
Het College begrijpt het betoog van de onderneming zo dat zij het bestreden besluit in strijd vindt met het evenredigheidsbeginsel en dat artikel 3, eerste lid, van de Regeling in haar geval buiten toepassing moeten worden gelaten.
3.2
Omdat het hier gaat om een gebonden bevoegdheid van de minister, hanteert het College bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de in de uitspraak van (de grote kamer van) het College van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190, onder 8.2) neergelegde maatstaf. Het College zal dan ook hieronder beoordelen of het bestreden besluit onevenwichtig is. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is.
3.3
Het bestreden besluit is alleen dan onevenwichtig als specifieke omstandigheden daar in het individuele geval van de onderneming aanleiding voor geven. De onderneming heeft geen zodanig bijzondere omstandigheden aangevoerd, die maken dat de minister had moeten afwijken van de Regeling. De omstandigheid dat het om een internationaal evenement gaat met buitenlandse gasten, is hiervoor onvoldoende. Het College neemt daarbij in aanmerking dat in de onder 2.2 genoemde uitspraak van het College van 13 februari 2024 ook sprake was van een groot internationaal evenement met veel buitenlandse gasten en dat het College ook in die zaak de afwijzing van de aanvraag niet onevenwichtig heeft geacht. De reden om eerder te annuleren, omdat de onderneming naar aanleiding van de persconferentie destijds de indruk had dat het evenementverbod niet geheel zou zijn opgeheven op het moment van het geplande evenement en om (een deel van de) kosten te besparen, is begrijpelijk vanuit de positie van de onderneming, maar zijn geen omstandigheden die de afwijzing onevenwichtig maken. Dat de onderneming vindt dat zij wel onder de doelgroep valt en de afwijzing niet past bij het doel van de Regeling zijn ook geen bijzondere omstandigheden die de afwijzing onevenwichtig maken. De afwijzing van de aanvraag is dan ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, zodat er geen reden is om artikelen 3, eerste lid, van de Regeling in dit geval buiten toepassing te laten.
Slotsom
4 Het beroep is ongegrond. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024.
w.g. B. Bastein w.g. P.M. Beishuizen