Deze zaak betreft het beroep van VOF [naam 1] tegen het besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur om een subsidie van € 245.000 toe te kennen voor de sloop van pelsdierhouderijlocaties, terwijl de gevraagde subsidie aanzienlijk hoger was.
De Regeling subsidiering sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij is gebaseerd op het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij en het Tijdelijke Covid-steunkader. Het maximumbedrag van € 245.000 per onderneming volgt uit dit kader, dat door de Europese Commissie is goedgekeurd. VOF [naam 1] betoogde dat het maximumbedrag niet aansluit bij de feitelijke sloopkosten en dat de regeling het evenredigheidsbeginsel schendt, mede omdat pelsdierhouders met meerdere locaties worden benadeeld.
Het College oordeelt dat het beroep tegen het algemeen verbindend voorschrift van de Regeling niet ontvankelijk is en dat het maximumbedrag niet onverbindend kan worden verklaard zonder strijd met het Europese staatssteunkader. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.