ECLI:NL:CBB:2024:820

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
12 november 2024
Publicatiedatum
7 november 2024
Zaaknummer
22/2023
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift subsidie vaste lasten COVID-19

In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven het beroep van een ondernemer tegen het besluit van 29 augustus 2022 ongegrond verklaard. Dit besluit betrof de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het vaststellingsbesluit van 4 april 2022, waarin de subsidie over het tweede kwartaal van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 was vastgesteld.

De ondernemer had het bezwaarschrift op 19 mei 2022 ingediend, terwijl de bezwaartermijn op 16 mei 2022 was geëindigd. De ondernemer voerde aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege een technische storing bij de RVO waardoor hij niet tijdig digitaal bezwaar kon maken.

Het College oordeelde dat het de verantwoordelijkheid van de ondernemer is om de termijnen te bewaken en dat een technische storing niet automatisch tot verschoonbaarheid leidt. De overgelegde schermafbeelding gaf geen inzicht in de datum van de storing. De ondernemer had binnen de termijn alternatieven kunnen benutten, zoals schriftelijk bezwaar of contact met de RVO. Daarom was de termijnoverschrijding niet verschoonbaar en werd het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep werd dan ook ongegrond verklaard en het College kwam niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het vaststellingsbesluit. De minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van de ondernemer wordt ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/2023
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 12 november 2024 in de zaak tussen

[naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] (ondernemer)

en

de minister van Economische Zaken

Samenvatting

In deze uitspraak oordeelt het College dat het beroep van de ondernemer tegen het besluit van 29 augustus 2022 ongegrond is. De minister heeft met dit besluit het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2022, waarin de subsidie over de periode april tot en met juni (Q2) 2021 aan de hand van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 is vastgesteld (het vaststellingsbesluit), terecht niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat de ondernemer zonder goede reden buiten de termijn bezwaar heeft gemaakt tegen het vaststellingsbesluit.

Beoordeling

1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om vast te stellen dat het beroep ongegrond is. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt, in samenhang met artikel 6:7 van Pro de Awb, dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen. Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar.
3 De bezwaartermijn eindigde op 16 mei 2022. Op 19 mei 2022 – dus buiten de bezwaartermijn – heeft de minister het bezwaarschrift van de ondernemer digitaal ontvangen.
4
De ondernemer is van mening dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De ondernemer geeft als reden voor de te late indiening dat toen hij bezwaar wilde maken, hij, na het meerdere malen te hebben geprobeerd, niet in het systeem kon komen door een storing aan de zijde van de RVO.
5 Voor het beoordelingskader voor de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding verwijst het College naar zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). Het College moet beoordelen of het niet binnen de termijn indienen van een bezwaarschrift aan de ondernemer kan worden toegerekend. Het College beantwoordt die vraag op grond van de volgende overwegingen bevestigend. Het onder 2 weergegeven wettelijke systeem verlangt van de ondernemer dat hij tijdig bezwaar maakt tegen elk besluit waarmee hij het niet eens is. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de ondernemer om de lopende termijnen te bewaken, ook in het geval van een technische storing. Uit de op 1 juni 2022 door de ondernemer ingezonden schermafbeelding van een errormelding blijkt niet op welke datum deze technische storing zich voorgedaan heeft. Het had op de weg van de ondernemer gelegen om op een ander moment binnen de bezwaartermijn een nieuwe poging te doen om het bezwaarschrift (eventueel schriftelijk) in te dienen of binnen de bezwaartermijn contact te zoeken met de RVO.
6 De slotsom is dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Het College komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het vaststellingsbesluit.

Conclusie en proceskosten

7 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
8 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T. Aalbers in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2024.
C.T. Aalbers J.R. Willemstein
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.