ECLI:NL:CBB:2024:849

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
26 november 2024
Publicatiedatum
21 november 2024
Zaaknummer
23/1442
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vaststelling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 Q1 2022 ongegrond verklaard

De minister van Economische Zaken heeft op 13 maart 2023 de subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot van € 84.679,06 teruggevorderd. De onderneming stelde beroep in tegen dit besluit omdat zij van mening was dat de minister had moeten uitgaan van haar eigen administratie in plaats van de omzetgegevens van de Belastingdienst. Tevens stelde zij dat het besluit haar onevenredig hard zou treffen.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven deed uitspraak zonder zitting, omdat het dossier voldoende informatie bevatte. Het oordeelde dat de minister terecht is uitgegaan van de omzetgegevens van de Belastingdienst, conform eerdere uitspraken over de kwartalen drie en vier van 2021 waarin het beroep ook ongegrond werd verklaard. De onderneming bracht geen nieuwe feiten of argumenten aan die tot een ander oordeel konden leiden.

Daarom mocht de minister de subsidie op nihil vaststellen en het voorschot terugvorderen. Het beroep werd kennelijk ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 26 november 2024 in het openbaar gedaan door mr. B. Bastein.

Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen de vaststelling van de subsidie over Q1 2022 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1442
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 26 november 2024 in de zaak tussen

[naam] B.V., te [woonplaats] (onderneming)

(gemachtigde: mr. P. Brand)
en

de minister van Economische Zaken

Procesverloop

Met het besluit van 13 maart 2023 heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 84.679,06 teruggevorderd.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Beoordeling

1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2. De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De minister is voor de berekening van het omzetverlies uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst. De onderneming vindt dat de minister uit had moeten gaan van de omzet die blijkt uit haar eigen administratie. Daarnaast stelt de onderneming dat zij onevenredig hard wordt getroffen door het bestreden besluit.
3. De onderneming heeft ook beroep ingesteld tegen besluiten van de minister over het derde en vierde kwartaal van 2021. Het College heeft op 23 juli 2024 uitspraak gedaan en die beroepen ongegrond verklaard (ECLI:NL:CBB:2024:526). In die uitspraak heeft het College geoordeeld dat de minister terecht is uitgegaan van de omzetgegevens van de Belastingdienst en dat de besluiten niet in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. De onderneming heeft in deze zaak niets aangevoerd dat tot een ander oordeel zou moeten leiden. Dat betekent dat de minister ook voor Q1 van 2022 terecht is uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst. De minister mocht daarom gebruikmaken van zijn bevoegdheid om de subsidie op € 0,- vast te stellen.
4. Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2024.
w.g. B. Bastein w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.