Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Rechter: mr. B. Bastein
Partijen
[naam] , te [plaats] (onderneming)
de minister van Economische Zaken,
Beslissing
Overwegingen
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2024.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De zaak betreft een beroep van een onderneming tegen de vaststelling van de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2022. De minister had de subsidie vastgesteld op basis van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt, terwijl de onderneming stelde dat de omzet uit haar eigen administratie gebruikt had moeten worden vanwege haar factureringsmethode.
Het College oordeelt dat de minister terecht is uitgegaan van de omzetgegevens van de Belastingdienst, aangezien de onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt. De datum van de factuur bepaalt het tijdvak waarin de btw moet worden afgedragen, niet de datum van levering, ook niet bij vooruit gefactureerde diensten.
Verder faalt het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel. De minister had de subsidies voor eerdere perioden geautomatiseerd vastgesteld op basis van administratiegegevens die de onderneming zonder overleg had ingevuld, terwijl zij vooraf was geïnformeerd dat de Belastingdienstgegevens leidend zijn. Aan eerdere vaststellingsbesluiten kunnen geen rechten worden ontleend.
Het College verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de juiste toepassing van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 door de minister.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de TVL-subsidie Q1 2022 wordt ongegrond verklaard.