De Autoriteit Consument en Markt (ACM) stelde op grond van de Warmtewet maximumtarieven vast voor warmteleveranciers per 1 januari 2023. Een individuele particuliere afnemer, [naam 1], maakte bezwaar tegen dit Tarievenbesluit en stelde dat de tarieven nadelige financiële gevolgen voor hem hadden. De ACM verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna [naam 1] beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
De Vereniging Energie-Nederland (VEN) betoogde dat [naam 1] geen belanghebbende was omdat zijn belang niet voldoende onderscheidend was ten opzichte van alle andere afnemers van warmte. De ACM vond echter dat [naam 1] een persoonlijk belang had omdat hij aannemelijk maakte dat de tarieven voor hem financieel nadelig zouden zijn en dat hij daardoor in zijn woongenot werd geraakt.
Het College oordeelde dat [naam 1] geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat zijn belang niet voldoende onderscheidend, objectief bepaalbaar en actueel is. Het Tarievenbesluit geldt immers voor alle afnemers gelijk en het persoonlijke verbruik maakt het belang niet voldoende specifiek. Het College verwijst naar eerdere uitspraken waarin dit is bevestigd.
Het College vernietigt het bestreden besluit en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, waardoor het beroep gegrond wordt verklaard zonder inhoudelijke behandeling. Ook wordt het betaalde griffierecht aan [naam 1] vergoed. Er zijn geen proceskosten toegekend.