ECLI:NL:CBB:2024:928
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen lagere vaststelling subsidie vaste lasten financiering COVID-19
De minister van Economische Zaken heeft de subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op €17.700,01 en het betaalde voorschot van €40.771,19 teruggevorderd. De onderneming stelde beroep in tegen deze herziene subsidievaststelling, omdat zij van mening was dat de wijziging ten nadele in strijd was met het verbod op reformatio in peius.
Eerder had de onderneming al meerdere beroepszaken gevoerd over andere subsidieperiodes, waarbij de minister de vaststellingen had verhoogd na toepassing van de reisbureauregeling. Voor Q2 2021 leidde het nadere onderzoek echter tot een lagere vaststelling, omdat de onderneming onjuiste omzetgegevens had opgegeven door een verkeerde referentieperiode en door de omzet van de fiscale eenheid in plaats van van de onderneming zelf te gebruiken.
De onderneming voerde aan dat de onjuiste inschrijfdatum in het handelsregister, veroorzaakt door een systeemfout, leidde tot de verkeerde referentieperiode en dat zij dit niet kon corrigeren. Het College oordeelde echter dat de minister op grond van artikel 4:49 Awb Pro ook zelfstandig bevoegd was de subsidie ten nadele te wijzigen als de subsidie-ontvanger wist of behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Gezien de eerdere ervaring van de onderneming met de regeling en de onjuiste gegevens was deze bevoegdheid terecht toegepast.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen de lagere subsidievaststelling voor Q2 2021 wordt ongegrond verklaard.