ECLI:NL:CBB:2025:115

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 februari 2025
Publicatiedatum
21 februari 2025
Zaaknummer
23/2018
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 ongegrond verklaard

De onderneming heeft verzet ingesteld tegen een eerdere uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin haar aanvraag voor subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor het eerste kwartaal van 2022 werd afgewezen wegens te late indiening.

Het College heeft in de eerdere uitspraak vastgesteld dat de aanvraag te laat was ingediend en dat, hoewel ernstige persoonlijke omstandigheden in sommige gevallen tot uitzondering kunnen leiden, in deze zaak onvoldoende bewijs was dat dergelijke omstandigheden aanwezig waren. De medische situatie van de bestuurster en haar echtgenoot werd meegewogen, maar het College constateerde dat de onderneming ook in andere periodes met dezelfde omstandigheden wel tijdig aanvragen had ingediend.

Daarnaast was er geen bewijs dat het onmogelijk was om iemand anders binnen of buiten de onderneming de opdracht te geven de aanvraag tijdig in te dienen. De onderneming bracht geen nieuwe feiten of argumenten aan in het verzet die de eerdere uitspraak konden weerleggen.

Daarom verklaart het College het verzet ongegrond en komt daarmee tot een definitieve beslissing in deze zaak.

Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wegens te late indiening wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/2018
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2025

Rechter: mr. W.J.A.M. van Brussel

Griffier: mr. P.M. Beishuizen

Partijen

[naam 1] B.V.,te [plaats] , (onderneming), waarvoor aanwezig is [naam 2] en mr. M.C.M.M. van de Ven
en

de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. J.W.P. van Oosten

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.

Overwegingen

1. De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 8 oktober 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:690). In deze uitspraak heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van 6 november 2023 ongegrond verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de minister de pro-forma-aanvraag voor subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 terecht heeft afgewezen omdat niet is gebleken dat het voor de onderneming niet mogelijk was om die aanvraag tijdig in te dienen.
2 Het College heeft vastgesteld dat de aanvraag om TVL te laat is ingediend. Wanneer sprake is van ernstige persoonlijke omstandigheden kan het in sommige gevallen leiden tot de conclusie dat het te laat indienen van de aanvraag niet wordt tegengeworpen omdat dit in strijd is met het ongeschreven evenredigheidsbeginsel.
3. Het College heeft echter niet kunnen vaststellen dat in dit geval sprake is van dergelijke omstandigheden. In genoemde uitspraak van 8 oktober 2024 zijn de medische omstandigheden van de bestuurster van de onderneming en haar echtgenoot onder ogen gezien. Verder is gebleken dat het onderneming is gelukt om voor andere aanvraagperiodes wel tijdig een aanvraag te doen, waarbij de medische omstandigheden ook in die periodes aanwezig zullen zijn geweest. Bovendien zat de aanvraagperiode voor Q1 van 2022, waarvoor de aanvraag te laat is ingediend, dicht op de vorige aanvraagperiode waarvoor wel een tijdige aanvraag is gedaan. Het College heeft ook niet kunnen vaststellen dat het voor de bestuurster van de onderneming en haar echtgenoot onmogelijk was om iemand anders, binnen of buiten de onderneming, de opdracht te geven de aanvraag tijdig in te dienen. Dat dit volgens de onderneming niet gebruikelijk is, wil niet zeggen dat het niet kan. Dit wordt bevestigd door de overgelegde verklaring van de general manager van de onderneming. Hij heeft verklaard dat de aanvraag voor TVL voor het eerste kwartaal 2022 binnen de gestelde termijn was ingediend, indien hij meer inzage had gekregen in deze voor het bedrijf belangrijke zaken. Volgens de verklaring van een medewerker van de onderneming die zich bezig hield administratieve werkzaamheden zijn de aanvragen van TVL niet bij hem belegd. Ook op grond hiervan kan het College niet vaststellen dat het voor de leiding van de onderneming vanwege de medische redenen niet mogelijk was om iemand anders de opdracht te geven de aanvraag tijdig in te dienen.
4. Het College stelt vast dat de onderneming in verzet niets heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de uitspraak van 8 oktober 2024 niet juist is. Dit betekent dat de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. P.M. Beishuizen