ECLI:NL:CBB:2025:207
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen afwijzing subsidie ongedekte vaste kosten land- en tuinbouwbedrijven COVID-19
Een land- en tuinbouwbedrijf heeft een subsidieaanvraag ingediend op grond van de Regeling subsidie financiering ongedekte vaste kosten land- en tuinbouwbedrijven COVID-19 (OVK) voor het tweede kwartaal. De minister wees de aanvraag af omdat het omzetverlies van de onderneming minder dan 30% bedroeg, een vereiste voor toekenning.
De onderneming stelde dat de regeling onevenredig nadelig voor haar uitpakte omdat slechts één referentieperiode (het tweede kwartaal van 2019) werd gehanteerd, waardoor seizoensgebonden omzetschommelingen niet werden meegenomen. Zij verwees naar de TVL-regeling waarbij andere referentieperioden mogelijk zijn, en beriep zich op het gelijkheidsbeginsel.
Het College overwoog dat de OVK is gebaseerd op de Tijdelijke kaderregeling staatssteun en door de Europese Commissie is goedgekeurd. Er is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel of willekeur, omdat de regeling specifiek is voor land- en tuinbouwbedrijven met een lager staatssteunplafond. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde, omdat de nadelige gevolgen niet zo zwaarwegend zijn dat het artikel 1 van Pro de OVK buiten toepassing moet blijven.
Het College concludeerde dat de minister terecht het tweede kwartaal van 2019 als referentieperiode heeft gehanteerd en de subsidieaanvraag terecht heeft afgewezen wegens onvoldoende omzetverlies.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende omzetverlies.