Op 30 januari 2021 verleende de minister een subsidie van €3.088,95 aan een onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020. Op 7 juli 2022 stelde de minister deze subsidie ambtshalve vast op €0,- en vorderde het betaalde voorschot van €2.471,16 terug, omdat de onderneming geen vaststellingsverzoek had ingediend en de minister van de Belastingdienst geen omzetgegevens had ontvangen.
De onderneming maakte op 2 juli 2024 bezwaar tegen deze vaststelling, wat bijna twee jaar te laat was. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. In beroep bleek dat de gemachtigde van de onderneming van april tot oktober 2022 in het ziekenhuis lag vanwege een zware operatie, waardoor hij het vaststellingsbesluit miste. De gemachtigde was zelfstandig werkend boekhouder zonder vervanging.
Het College oordeelde dat deze bijzondere omstandigheden de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Het beroep werd daarom gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, en de minister opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan de ondernemer.