ECLI:NL:CBB:2025:37
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor grote onderneming wegens onvoldoende omzetverlies
De onderneming exploiteert verschillende hotels en maakt deel uit van een groep met diverse activiteiten. Voor het tweede kwartaal van 2021 heeft zij subsidie aangevraagd op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL). De minister stelde de subsidie vast op nihil omdat het vereiste omzetverlies van ten minste 30% niet was bereikt, waarbij werd uitgegaan van de omzet van de gehele groep zoals die op dat moment bestond.
De onderneming voerde aan dat de omzetvergelijking niet representatief was vanwege een overname van vijf vennootschappen kort voor de subsidieperiode, en dat de regeling in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Het College oordeelde dat de regeling een generiek karakter heeft en dat de systematiek om omzetverlies te berekenen in lijn is met de doelstellingen en toelichting van de regeling. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die toepassing van de regeling in dit geval onevenredig maken.
Verder stelde het College vast dat de onderneming geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan een afwijkende subsidievaststelling, omdat de subsidie aanvankelijk onjuist was verleend en de onderneming hiervan op de hoogte was. Ook was er geen sprake van schending van de hoorplicht of van de zorgvuldigheids-, motiverings- of rechtszekerheidsbeginselen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de subsidie op nihil vastgesteld.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming wordt ongegrond verklaard en de subsidie wordt op nihil vastgesteld.