5.2De ACM heeft op de zitting bij het College aan de hand van de volgende vier voorbeelden toegelicht hoe de praktijk van indirecte informatie-uitwisseling het prijsbeleid van de tabaksfabrikanten beïnvloedde:
i. i) Het eerste voorbeeld betreft een interne e-mail van [naam 2] van 14 april 2010 over een prijsvoorstel voor [sigarettenmerk 2] (een van de merken van [naam 2] ). In de mail beschrijft [naam 2] de stand van zaken op de markt op dat moment:
“Status:
[naam 2] price is currently at €4.20/19 (parity), €4.80/23 (€0,209 price per stick) and €5.90/28 (€0.211 price per stick)
[naam 1] issued a price list, confirming price increase per end of May of [sigarettenmerk 3] +€0.20 on 22s (increasing from €4.60 to €4.80) and +€0.10 on 27s (increasing from €5.70 to €5.80)
Recommendation:
Increase [naam 5] 23’s and 28’s by 20ct and 10ct respectively to maintain price per stick parity to [sigarettenmerk 3] and to be at round prices
Mitigating actions:
No price list from [naam 6] before 20th of May – [sigarettenmerk 2] price will stay at current level. (23/€4.80 – 28/€5.90)
No increased [naam 1] and [naam 6] prices in the market after we increased [sigarettenmerk 2] prices - [sigarettenmerk 2] price will be decreased by adding one stick. (lead time for 24/€5.00 and 29/€6.00 is 20 weeks according to [naam 12] , on the 20th of May we will decide on escalation to shorten lead time)”
[naam 2] schrijft dat [naam 1] een prijsverhoging heeft aangekondigd per eind mei 2010 en stelt voor om prijsverhogingen van 20 en 10 eurocent op haar grotere pakjes door te voeren, om “price parity” met [naam 1] en ronde prijzen te bereiken. [naam 2] maakt daarbij enkele voorbehouden. Op het moment van versturen van deze e mail zijn de Value for Money (VFM) merken van [naam 6] nog geprijsd op het huidige prijsniveau van [sigarettenmerk 2] ; € 4,80 en € 5,90. Als [naam 2] op 20 mei 2010 geen prijslijsten heeft gezien waarin [naam 6] [naam 2] volgt, gaat de prijsverhoging niet door. Volgens de ACM illustreert dit voorbeeld dat de fabrikanten bij het bepalen van hun prijsbeleid waren ingesteld op de ontvangst van de prijslijsten van hun concurrenten en de wetenschap dat hun eigen prijslijsten bij de andere fabrikanten zouden belanden.
ii) Het tweede voorbeeld is een interne presentatie van [naam 6] van oktober 2010. De ACM heeft toegelicht dat voor de context relevant is dat op dat moment bekend is dat de accijns op sigaretten per 1 maart 2011 zal stijgen. [naam 6] omschrijft in de presentatie haar strategie bij de accijnsstijging als volgt:
“Avoid creating a price war— [naam 6] will follow market dynamics”. In een presentatie van december 2010 heeft [naam 6] haar strategie verder uitgewerkt en beschrijft zij een samenvatting daarvan als volgt:
Beschermen van het Mainstream segment (RYO en FMC)
Optimaliseren van de winst voor alle betrokken partijen door VFM segment harder te laten stijgen in consumentenprijs.
Maximaal winst behalen onder de gegeven omstandigheden. Dit heeft direct tot gevolg dat we te maken krijgen met een meer /minder scenario in aankomend kalender maar totaal absoluut meer kunnen verdienen. [naam 6] verwacht dat dit positief wordt opgepakt door de handelspartners.
[naam 6] neemt hier het initiatief maar zal uiteraard de concurrentie (incl. [naam 13] nauwlettend in de gaten houden. Het staat [naam 6] vrij om tussentijds aanpassingen door te voeren.”
Uit de vierde bullet volgt dat [naam 6] een slag om de arm houdt. [naam 6] neemt het initiatief, maar houdt de concurrentie in de gaten. Op 7 december 2010 stuurt [naam 6] vervolgens een prijslijst uit die per 1 maart 2011 ingaat. [naam 6] houdt er rekening mee dat zij haar prijslijst tussentijds nog zal moeten wijzigen. Ook [naam 6] gaat er dus van uit dat haar prijslijst bij de andere fabrikanten terecht zal komen en zij de prijslijsten van de concurrentie zal ontvangen. Uit e-mailverkeer blijkt dat de prijsaankondiging van [naam 6] in elk geval op 8 december 2010 bij [naam 1] bekend is. Dat de prijsaankondiging met andere fabrikanten is gedeeld, blijkt ook uit een interne e-mail van [naam 6] van 8 januari 2011 waarin staat:
“ [naam 2] vindt ons prijsvoorstel een leuke suggestie…”en:
“ [naam 2] wacht op [naam 4] en [naam 4] wacht op [naam 2] …”.
iii) Het derde voorbeeld volgt op de aangekondigde prijslijst van [naam 6] uit het tweede voorbeeld. [naam 5] heeft de aankondiging van [naam 6] ontvangen en heeft op 20 januari 2011 haar eigen prijslijst uitgestuurd waarin zij de prijzen van [naam 6] volgt. Daarna stuurt [naam 2] op 28 januari 2011 haar prijslijst uit. Deze is binnen drie dagen bij [naam 5] bekend. [naam 2] volgt wel de prijsstijging van [naam 6] en [naam 5] in het premiumsegment, maar niet volledig in het VFM-segment. Deze prijslijst van [naam 2] zorgt voor rumoer in de markt en maakt dat [naam 1] twijfelt wie zij zal volgen: [naam 2] of [naam 6] en [naam 4] . [naam 5] stuurt op 1 maart 2011 een e-mail naar een afnemer:
Ik heb getracht je te bellen, maar contact is helaas niet gelukt.
Ik was benieuwd of jij nog reacties of bewegingen hebt vernomen mbt de prijsstellingen? Tot op heden hebben wij niets gezien van eventuele nieuwe prijslijsten of [naam 1] die nog steeds de prijslijst moet versturen.”
Uit deze e-mail blijkt dat [naam 5] benieuwd is of haar afnemer reacties of bewegingen heeft vernomen over de prijsstellingen. [naam 5] heeft tot dat moment nog niets gezien van eventuele nieuwe prijslijsten en plannen van [naam 1] en vraagt haar afnemer hiernaar. Ook deze e-mail laat volgens de ACM zien dat de informatie-uitwisseling gangbaar was. De betreffende pakjes met de nieuwe prijzen lagen nog niet in de schappen. Toch gaat [naam 5] ervan uit dat prijsstellingen onderling worden uitgewisseld: als de prijslijst van [naam 1] al was verstuurd, dan was [naam 5] daarvan op de hoogte geweest. [naam 5] had dit bij het juiste eind; de prijslijst van [naam 1] volgde een week later, op 7 maart 2011. Uit de stukken blijkt dat deze aankondiging op 8 maart 2011 ook bij de andere fabrikanten bekend was.
iv) Het vierde voorbeeld betreft een e-mail van 17 mei 2011 van [naam 1] aan een afnemer:
Bedankt voor de prijslijst.
Vanmorgen vernam ik uit betrouwbare bron dat [naam 2] voor eind van deze week ook met de nieuwe prijslijst per 1 juli uitkomt.
Zou jij deze, als hij bij jullie binnen is gekomen, mij via de mail kunnen sturen.
Deze e-mail is een reactie op de prijslijst van [naam 5] die de afnemer op 16 mei 2011 naar [naam 1] heeft doorgestuurd. [naam 1] geeft aan dat zij uit betrouwbare bron heeft vernomen dat de prijslijst van [naam 2] voor het einde van die week uitkomt en verzoekt de afnemer de prijslijst van [naam 2] door te sturen zodra deze door de afnemer is ontvangen. Uiteindelijk komt de prijslijst van [naam 2] de woensdag daarop en deze is kort daarna bij alle drie de concurrenten bekend. [naam 1] ontvangt deze nadat zij de afnemer heeft gerappelleerd:
“De prijslijst van [naam 2] is binnen, kun je deze svp doorsturen.”
De kwalificatie van de gedragingen door de ACM
6 De ACM heeft de gedragingen gekwalificeerd als onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekten de mededinging te beperken, verhinderen dan wel vervalsen in de zin van artikel 6, eerste lid, van de Mw en artikel 101, eerste lid, van het VWEU. Door elke keer de door afnemers aangeboden informatie afkomstig van concurrenten in ontvangst te nemen en te gebruiken en zelf ook informatie te versturen zonder zich in te spannen om een verdere verspreiding tegen te gaan, leverden de fabrikanten keer op keer een bijdrage aan de bestaande praktijk en hielden zij die samen in stand. Volgens de ACM had deze praktijk tot doel om de onzekerheid over elkaars prijsgedrag te verminderen en de prijsconcurrentie die normaal gesproken van de fabrikanten in een oligopolistische markt mocht worden verwacht, af te zwakken. Daarom ziet de ACM de handelwijze van de fabrikanten in de periode van juli 2008 tot en met juli 2011 als een enkele voortdurende overtreding.
7 De tabaksfabrikanten hebben diverse hogerberoepsgronden gericht tegen de uitspraak van de rechtbank. Omdat deze voor een groot deel inhoudelijk overlappen, zal het College de beroepsgronden hierna zoveel mogelijk voor de fabrikanten gezamenlijk bespreken. De tabaksfabrikanten betwisten met hun hogerberoepsgronden de door de ACM verweten gedragingen op zichzelf niet, maar wel de kwalificatie ervan, mede gelet op het daarvoor beschikbare bewijs. Het College zal hierna eerst de hogerberoepsgronden behandelen over de kwalificatie van de gedragingen als onderling afgestemde feitelijke gedragingen (mede gelet op het daarvoor beschikbare bewijs), vervolgens die over de vermeende mededingingsbeperkende strekking ervan en aansluitend de kwalificatie van de gedragingen als een enkele voortdurende overtreding. Daarna zal het College de hogerberoepsgronden van [naam 1] , [naam 2] en [naam 5] bespreken over de rechten van verdediging. Vervolgens komt het College toe aan de hogerberoepsgronden over de (hoogte van de) boete. Tot slot zal het College zijn oordeel geven over de overschrijding van de redelijke termijn.
Onderling afgestemde feitelijke gedragingen
Standpunt van de fabrikanten
8 Volgens de fabrikanten heeft de ACM de gedragingen ten onrechte gekwalificeerd als onderling afgestemde feitelijke gedragingen. Zo hebben de rechtbank en de ACM miskend dat de informatie-uitwisseling plaatsvond om legitieme redenen; de fabrikanten waren namelijk verplicht hun prijzen door te geven aan de afnemers. De afnemers hadden volgens de fabrikanten een eigen commercieel belang bij het doorsturen van deze informatie. De fabrikanten hadden geen zicht op wat de afnemers met de prijslijsten deden en konden het doorsturen daarvan dan ook niet voorkomen. Dat de fabrikanten belangstelling voor elkaars prijzen hadden, maakt nog niet dat sprake was van verboden afstemming. Onduidelijk is op basis waarvan de ACM en de rechtbank hebben geconcludeerd dat de informatie-uitwisseling veel verder ging dan dit legitieme verticale contact.
Ook is volgens de fabrikanten ten onrechte geconcludeerd dat zij welbewust hebben samengewerkt, omdat zij op de hoogte waren van het mededingingsverstorend gedrag. Volgens de fabrikanten had gelet op het legitieme en indirecte karakter van de informatie-uitwisseling moeten worden aangetoond dat zij de intentie of mentale consensus hadden om de onderlinge concurrentie te vervangen door een feitelijke samenwerking. Deze toets is gehanteerd in de Engelse hub-and-spoke zaken,en is ook hier relevant. De ACM heeft niet bewezen dat een ontvangende fabrikant wist dat het om een ongeoorloofd initiatief ging en dat een verzendende fabrikant wist dat haar informatie aan concurrenten werd doorgegeven. De ontvangst van informatie en het gebrek aan verzet daartegen alleen is daarvoor niet voldoende.
Omdat in elk geval niet evident sprake is van een ongeoorloofd initiatief, is ook ten onrechte toepassing gegeven aan het vermoeden dat de fabrikanten bij het bepalen van hun gedrag op de markt rekening hebben gehouden met de informatie die zij met hun concurrenten hebben uitgewisseld (Anic-vermoeden). De fabrikanten hebben naar eigen zeggen hun marktgedrag steeds zelfstandig bepaald.
Beoordeling door het College