Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een hoger beroep van [naam 1] B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het handhavingsbesluit van de ACM inzake een toegangsverplichting tot directe IP-interconnectie op grond van het Marktanalysebesluit FTA-MTA-5 (MA5) vernietigde.
[naam 1], een aanbieder van elektronische communicatiediensten en transitdiensten, vorderde een directe interconnectie met het netwerk van [naam 2], die door laatstgenoemde steeds werd geweigerd. De ACM legde op grond van MA5 een last onder dwangsom op aan [naam 2] om een redelijk aanbod te doen. De rechtbank vernietigde dit besluit, stellende dat MA5 niet ziet op transitaanbieders en dat de ACM de evenredigheid onvoldoende had onderbouwd.
Het College oordeelt dat de rechtbank onjuist heeft geoordeeld over de reikwijdte van MA5 en dat de toegangsverplichting ook geldt voor transitaanbieders. Tevens is geen nieuwe marktanalyse vereist voor de evenredigheid van het handhavingsbesluit. Het hoger beroep slaagt deels en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor een inhoudelijke beoordeling van de overige gronden.
Daarnaast treft het College een voorlopige voorziening dat ACM niet tot invordering van dwangsommen mag overgaan totdat de rechtbank uitspraak doet. Het College veroordeelt ACM in de proceskosten van [naam 1] en draagt ACM op het betaalde griffierecht aan [naam 1] te vergoeden.