De zaak betreft het hoger beroep van een agrarisch ondernemer tegen een bestuurlijke boete opgelegd door de minister van Landbouw wegens overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en fosfaatgebruiksnorm in 2018. De minister had een boete van € 14.827,50 opgelegd vanwege overschrijding van stikstof- en fosfaatnormen en het onjuist invullen van een meststoffenformulier.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de minister de eindvoorraad staldierenmest correct had vastgesteld op basis van de best beschikbare gegevens conform de Meststoffenwet en uitvoeringsregeling. In hoger beroep stelde de ondernemer dat de minister onjuiste gegevens gebruikte en dat de boete onevenredig hoog was. Het College oordeelde dat de minister terecht uitging van de gemiddelde gehalten van in 2018 afgevoerde mest en dat afwijking niet gerechtvaardigd was.
Daarnaast oordeelde het College dat de boete niet onevenredig was gelet op de aard en ernst van de overtreding. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden met bijna zes maanden, waardoor het College de boete matigde met 5% tot € 14.101,13. Tevens werd de Staat veroordeeld in de proceskosten en werd het griffierecht aan de ondernemer vergoed.
De uitspraak bevestigt de boete voor de overschrijding van de meststoffenwet gebruiksnormen, maar corrigeert de hoogte van de boete vanwege procedurele termijnoverschrijding en bevestigt de overige onderdelen van het bestreden besluit.