ECLI:NL:CBB:2022:2
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens overtreding mestverwerkingsplicht volgens Meststoffenwet
Appellante, een melkveehouderij, werd een bestuurlijke boete opgelegd wegens het niet naleven van de mestverwerkingsplicht zoals vastgelegd in artikel 33a, vijfde lid, van de Meststoffenwet. Zij had een mestverwerkingsplicht van 1.310 kg fosfaat overgenomen via een vervangende verwerkingsovereenkomst (VVO), maar had slechts 539 kg fosfaat verwerkt met een driepartijenovereenkomst (DPO). Hierdoor was een overschot van 771 kg fosfaat niet volgens de wettelijke voorschriften verwerkt.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de overtreding niet slechts een administratieve vergissing was. Het College bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de wetgever expliciet voorschrijft dat de mestverwerkingsplicht via een VVO moet worden verwerkt met een VDM en/of DPO, om te voorkomen dat het stelsel wordt uitgehold. Appellante had nagelaten te controleren of de mest daadwerkelijk was verwerkt.
Verder werd geoordeeld dat verminderde verwijtbaarheid niet aan de orde was, aangezien appellante zich had moeten verdiepen in de complexe regelgeving of deskundige hulp had kunnen inschakelen. Ook was er geen grond voor het matigen van de boete of het volstaan met een waarschuwing. De opgelegde boete was proportioneel en in overeenstemming met de wetgeving en het beleid. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de boete bevestigd.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van € 8.481,- wegens overtreding van artikel 33a, vijfde lid, van de Meststoffenwet wordt bevestigd.