Een taxichauffeur kreeg zijn chauffeurskaart geschorst op grond van een verdenking van handel in harddrugs, gebaseerd op een proces-verbaal van bevindingen. De minister van Infrastructuur en Waterstaat schorste de kaart conform de Regeling gebruik boordcomputer en het Besluit personenvervoer 2000. Later werd de zaak door het Openbaar Ministerie geseponeerd wegens onvoldoende bewijs.
De taxichauffeur maakte bezwaar tegen de schorsing en overhandigde de sepotbeslissing aan de minister. De minister hief de schorsing op, maar de taxichauffeur stelde dat de schorsing onrechtmatig was en dat hij schade had geleden. Hij vorderde vergoeding van de kosten.
Het College oordeelde dat de minister bevoegd was de schorsing uit te spreken op basis van het vermoeden dat de taxichauffeur niet voldeed aan de eisen voor een verklaring omtrent gedrag. De schorsing was dus terecht. Wel had de minister de schorsing eerder moeten opheffen, namelijk vanaf 29 december 2023 toen de sepotbeslissing was ontvangen.
De minister hoefde de kosten voor de behandeling van het bezwaar niet te vergoeden, omdat geen sprake was van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Wel veroordeelde het College de minister tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van de taxichauffeur.