ECLI:NL:CBB:2025:61

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
4 februari 2025
Publicatiedatum
31 januari 2025
Zaaknummer
22/1987
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 Q4 2020

De onderneming heeft verzet aangetekend tegen een eerdere uitspraak van het College waarin het beroep tegen de afwijzing van de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 ongegrond werd verklaard. De afwijzing was gebaseerd op het oordeel dat de onderneming niet voldeed aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies.

De onderneming stelde dat in de jaarrekening 2023 correcties waren doorgevoerd met betrekking tot personeelskosten en kosten voor softwareontwikkeling, en dat zij en haar moedermaatschappij als fiscale eenheid voor de btw functioneren, wat een alternatieve facturatiemethode rechtvaardigt. Tijdens de zitting gaf de onderneming aan een suppletieaangifte te hebben ingediend over Q4 2020.

De minister handhaafde zijn standpunt dat de aangifte omzetbelasting leidend is voor de omzetbepaling en dat geen suppletieaangiften bekend waren. Het College achtte het relevant dat de suppletieaangifte tijdens de procedure was ingediend en verklaarde het verzet gegrond. De eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek wordt hervat in de stand waarin het zich bevond.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het onderzoek wordt hervat.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/1987

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2025 op het verzet van

[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming)

Procesverloop

De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 3 december 2024.
De zitting was op 20 januari 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2]
,namens de onderneming, bijgestaan door [naam 3] , en mr. M. Achali en mr. J.W.P. van Oosten, gemachtigden van de minister van Economische Zaken.

Overwegingen

1. Met de uitspraak van 3 december 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:880) heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van 26 juli 2022 ongegrond verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de minister de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2020 terecht op € 0,- heeft vastgesteld, omdat de onderneming niet voldoet aan het vereiste dat zij ten minste 30% omzetverlies heeft geleden. De omzet van een factuur van 18 december 2020 die betrekking zou hebben op personeelskosten die voor rekening komen van de moedermaatschappij, is in de aangifte voor Q4 van 2020 opgegeven, zodat deze omzet terecht is meegenomen in de berekening van het omzetverlies.
2 De onderneming heeft in het verzetschrift gesteld dat inmiddels in de jaarrekening van 2023 een correctie is doorgevoerd met betrekking tot de personeelskosten die in de factuur van 18 december 2020 staan. Ook zijn de kosten voor de ontwikkeling van een softwaremodule gecorrigeerd in deze jaarrekening. Met een e-mail van 15 augustus 2022 heeft de onderneming aan de minister verduidelijkt dat de onderneming en de moedermaatschappij, [naam 4] B.V., feitelijk functioneren als een fiscale eenheid voor de btw. Dit rechtvaardigt een alternatieve facturatiemethode.
3 De minister heeft in zijn reactie op het verzetschrift zijn standpunt herhaald dat voor het bepalen van de omzet niet de administratie van de onderneming leidend is, maar de aangifte omzetbelasting. De minister heeft hieraan toegevoegd dat in de Belastingdienst-viewer geen informatie bekend was dat de onderneming suppletieaangiften heeft ingediend.
4 Op de zitting van 20 januari 2025 heeft de onderneming gesteld dat zij diezelfde dag een suppletieaangifte heeft ingediend over Q4 van 2020. De minister heeft in andere zaken over de TVL waarin tijdens de beroepsprocedure een suppletieaangifte is ingediend, bekeken of de suppletieaangifte aanleiding gaf om de beslissing op bezwaar te herzien. Gelet hierop ziet het College aanleiding om het verzet gegrond te verklaren.
5 Het verzet is gegrond, de uitspraak van 3 december 2024 vervalt en het onderzoek wordt hervat in de stand waarin het zich bevond.

Beslissing

Het College verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. C.D.V. Efstratiades, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. C.D.V. Efstratiades