De Stichting Animal Rights verzocht de minister handhavend op te treden tegen een schapenhouder die zijn kudde onvoldoende zou beschermen tegen aanvallen van de wolf. De minister wees dit verzoek en het daaropvolgende bezwaar af, stellende dat de schapenhouder preventieve maatregelen had genomen en handhaving geen prioriteit had.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke beschermingsmaatregelen van de schapenhouder. De toegepaste afrasteringen voldeden niet aan de aanbevelingen uit de Faunaschade PreventieKit van BIJ12, waardoor de wolf de kudde kon aanvallen. Het besluit was daarom in strijd met de Algemene wet bestuursrecht vanwege gebrek aan deugdelijke motivering en onvoldoende feitenonderzoek.
Verder stelde het College vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep was overschreden, waardoor de Staat een immateriële schadevergoeding van €500 aan Animal Rights moet betalen. Het College vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij nader onderzoek naar de beschermingsmaatregelen moet plaatsvinden en een gemotiveerde beslissing moet worden gegeven.