Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2025:643

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
22/250
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:22 AwbArt. 27 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van instantie wegens faillissement en niet-ontvankelijkheid beroep

De onderneming had beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Economische Zaken waarin een subsidie werd vastgesteld en een teveel betaald voorschot werd teruggevorderd. Na het faillissement van de onderneming heeft de curator aan het College bericht dat zij de procedure niet wenst over te nemen. De minister heeft daarop verzocht om ontslag van instantie.

Het College heeft vervolgens het belang van de minister bij ontslag van instantie afgewogen tegen het belang van de onderneming bij het verkrijgen van een beslissing op het geschil. Omdat de curator de procedure niet overneemt en de onderneming geen belang heeft kenbaar gemaakt, heeft het College geen redenen gezien om de procedure voort te zetten.

Daarom is het verzoek om ontslag van instantie toegewezen en is het beroep van de onderneming niet-ontvankelijk verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van de onderneming is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om ontslag van instantie is toegewezen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/250

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming)

en

de minister van Economische Zaken

(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman)

Procesverloop

Met het besluit van 1 september 2021 heeft de minister de subsidie van de onderneming op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) vastgesteld op € 37.499,70 en een teveel betaald voorschot van € 74.999,30 teruggevorderd.
Met het besluit van 24 december 2021 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Op 7 februari 2023 is het faillissement van de onderneming uitgesproken. Op 7 maart 2024 heeft de curator van de onderneming, mr. [naam 2] , aan het College bericht dat zij de procedure niet overneemt.
Op 6 mei 2024 heeft het College de minister in de gelegenheid gesteld om ontslag van instantie te verzoeken.
Op 15 mei 2024 heeft de minister verzocht om ontslag van instantie wegens faillissement van de onderneming.
Op 27 januari 2025 heeft de griffier aan de directeur van de onderneming eerst telefonisch en daarna schriftelijk verzocht om aan te geven of hij de procedure wenst voort te zetten en welk belang hij daarbij heeft. Daarop heeft het College geen reactie meer ontvangen.
Op 13 november 2025 heeft het College het onderzoek gesloten en partijen daarvan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:22, eerste lid, van de Awb is in geval van faillissement artikel 27 van Pro de Faillissementswet (Fw) van overeenkomstige toepassing. Artikel 27, eerste lid, van de Fw bepaalt dat indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, het geding ten verzoeke van de gedaagde geschorst wordt, teneinde deze gelegenheid te geven, binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.
2 De curator heeft het College bericht dat zij de procedure van de onderneming niet wenst over te nemen. De minister heeft vervolgens op grond van artikel 27, tweede lid, van de Fw om ontslag van instantie verzocht.
3 Ter beoordeling ligt voor of het verzoek van de minister om ontslag van instantie te verlenen kan worden toegewezen.
4 Het College weegt in dat verband het belang van de minister bij ontslag van instantie af tegen het belang van de onderneming bij het verkrijgen van een beslissing op het aan het College voorgelegde materiële geschil. Als het verzoek wordt gehonoreerd, volgt niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van de onderneming. Een niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege als is gebleken van (gegronde) redenen om de procedure voort te zetten.
5 Nu de curator heeft bericht dat zij de procedure niet wenst over te nemen en de onderneming niet kenbaar heeft gemaakt waarom zij belang heeft bij het verkrijgen van een beslissing op het geschil, is het College niet gebleken van redenen de procedure voort te zetten. Daarom wijst het College het verzoek van de minister om ontslag van instantie toe. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.
6 Het beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
w.g. B. Bastein w.g. T.D. Geldof