De zaak betreft het verzoek van een transportonderneming om een voorlopige voorziening tegen het besluit van NIWO tot intrekking van haar communautaire vergunning voor beroepsgoederenvervoer over de weg, vanwege het niet voldoen aan de financiële draagkracht-eis.
NIWO had de vergunning ingetrokken nadat de onderneming gedurende ruim twee jaar niet had aangetoond te beschikken over het vereiste risicodragend vermogen van minimaal € 24.000,-. Ondanks meerdere uitsteltermijnen en een hersteltermijn van zes maanden, was er geen concreet zicht op herstel van de financiële draagkracht. De onderneming voerde aan dat zij zich in een afrondende fase van een schuldsaneringsproject bevond en dat intrekking disproportioneel was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het intrekken van de vergunning niet onevenredig was en dat NIWO niet gehouden was langer uitstel te verlenen. Ook werd geoordeeld dat geen sprake was van schending van het vertrouwens- of motiveringsbeginsel en dat de hoorplicht was nageleefd. De ordemaatregel die de intrekking tijdelijk opschortte, werd opgeheven en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.