Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
de vereniging MEER GGZ, te Giessen, (MEER GGZ)
de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa),
Procesverloop
Overwegingen
Anders dan de zorgaanbieders op wiens verzoek om voorlopige voorziening bij uitspraak van 10 november 2025 is beslist, hebben de leden van MEER GGZ onderzoek laten doen door Deloitte naar hun financiële situatie vóór en na de invoering van de tariefbeschikking 2026 om hun stellingen over de negatieve impact van de nieuwe tarieven op (de continuïteit van) hun bedrijfsvoering nader te onderbouwen. Hoewel op het rapport van Deloitte het nodige valt af te dingen, ziet de voorzieningenrechtereen voldoende mate van spoedeisend belang om tot een inhoudelijke beoordeling van de betrokken belangen over te gaan.
Voor de periodieke loonsverhogingen is de gemiddelde stijging per periodiek op basis van de loontabellen en de verwachte functiemix berekend als 2,96% per periodiek. Dit is gecorrigeerd met factor van 2/3 omdat MEER GGZ verwacht dat per jaar 2/3 deel van de werknemers een hogere periodiek bereikt. Hierbij is rekening gehouden met werknemers die de hoogste periodiek al hebben bereikt en met vervanging van personeel door jongere werknemers. De verwachte loonkostenstijging vanwege de periodieke loonsverhogingen wordt daarmee 2/3 x 2,96% = 1,97%.
Voor de kosten van de jubileumuitkering is ervan uitgegaan dat jaarlijks 10% van de werknemers het vijfjarig werkjubileum bereikt waarvoor de werkgever een gratificatie van 25% van het bruto maandsalaris van € 6.000,- moet uitbetalen. Dat betekent voor de werkgever een jaarlijkse loonkostenstijging van 0,18%.
De NZa heeft een nieuwe berekening gemaakt waarbij de index voor 2023 op 100 is gezet (zodat wordt uitgegaan van de gerealiseerde loonkosten over 2023), de verhoging van 3 x 1,97% vanwege het bereiken van een hogere periodiek is weggelaten en de verhoging vanwege het bereiken van het vijfjarig werkjubileum is bijgesteld naar 0,09%. Uit die gecorrigeerde berekening blijkt dat de indexering op grond van de CAO-afspraken lager is dan de indexering die de door de NZa op basis van de OVA heeft toegepast.
Uit het rapport blijkt echter niet precies hoe die tariefdaling is berekend. Op p. 6 is weliswaar vermeld dat de 2026-maximumtarieven zijn vergeleken met de 2025-maximumtarieven, maar onduidelijk is of Deloitte bij die vergelijking is uitgegaan van de 2025-maximumtarieven die hebben gegolden tot eind november 2024 (tegen welke tarieven de meeste zorgaanbieders gecontracteerd zullen hebben) of van de 2025-maximumtarieven die de NZa eind november 2024 als gevolg van de uitspraak van het College van 22 augustus 2024 heeft verhoogd. Verder heeft Deloitte bij haar vergelijking geen rekening gehouden met de tarieven waarvoor in werkelijkheid is gecontracteerd. Deloitte is klaarblijkelijk ervan uitgegaan dat wanneer de maximumtarieven met 9,1% dalen, de gecontracteerde tarieven ook met 9,1% zullen dalen.