Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 augustus 2024 in de zaken tussen
de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, te Utrecht en
Meer GGZ, te Leidschendam (de Verenigingen)
de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)
Procesverloop
De Verenigingen hebben bezwaar gemaakt tegen de tariefbeschikkingen van 11 juni en 8 juli 2021. Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden hun bezwaren ook aangemerkt als bezwaren tegen de tariefbeschikking 2022.
DFZS en de Verenigingen hebben bezwaar gemaakt tegen de tariefbeschikking van 14 juli 2022. ARQ heeft bezwaar gemaakt tegen de tariefbeschikking van 19 oktober 2022. Op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb zijn de bezwaren van DFZS, ARQ en de Verenigingen ook aangemerkt als bezwaren tegen de tariefbeschikking 2023.
Overwegingen
-1,6% bij vergelijking van de omzet op basis van de originele productie ten opzichte van de
A-simulatie.
B-simulatie leidt tot een positieve impact van gemiddeld +1,8%.
De tariefeffecten konden volgens Gupta het gevolg zijn van de introductie van het ZPM,het niet volledig verwerken van de NZa-index in de prijzen of andere onderhandelingseffecten. Gupta heeft de stijging van de indirecte tijd niet als een mogelijke oorzaak voor de lagere omzet genoemd.
De NZa heeft verder aangegeven dat er als gevolg van de verwachte impact van -1,6% “onder de streep”, die uit de monitor bleek, naast “niets doen”, voor haar drie mogelijkheden waren, namelijk ophogen van de tarieven, het opnieuw instellen van een administratieverplichting of het doen van aanvullend onderzoek. Het generiek ophogen van de tarieven was volgens de NZa niet terecht omdat dat in strijd zou zijn geweest met het belang van een efficiënte bekostiging van de gezondheidszorg. Het opnieuw instellen van een administratieverplichting voor zorgaanbieders om de indirecte tijd te blijven meten was evenmin een optie, omdat nu juist één van de uitgangspunten van het nieuwe stelsel was om de administratieve lasten te verlichten. Het uitvoeren van een beperkt nader onderzoek was evenmin mogelijk. In feite heeft de NZa met het in 2023 gehouden productiviteitsonderzoek geprobeerd om de indirecte tijd nader te onderzoeken. De manier waarop dat onderzoek is verlopen onderstreept dat er verregaande controles en waarborgen nodig zijn om ervoor te zorgen dat de juiste gegevens worden vergaard. Zo’n nader onderzoek kost bovendien veel tijd, ook al omdat de onderzoeksgroep voldoende groot moet zijn om representatief te zijn voor de bepaling van meer dan 1000 tarieven. In de gegeven omstandigheden was het uitvoeren van zo’n onderzoek volgens de NZa geen reële optie.
Het College acht het niet juist om het belang van de gebleken significante ontwikkeling af te zwakken door daar in de monitor genoemde inschattingen van de impact van het ZPM tegenover te zetten. Zoals terecht door de Verenigingen is aangevoerd zegt een aantal van die inschattingen, zoals de overheveling van de langdurige zorg en het verschil tussen de scenario’s A en B, niets over de kostendekkendheid van de tarieven in de ggz.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 12 juli 2023;
- draagt de NZa op om binnen drie maanden na heden nieuwe besluiten op de bezwaren tegen de tarieven 2022 en 2023 te nemen en nieuwe tarieven 2022 en 2023 vast te stellen, met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak (waarbij dus de indirecte tijd, op basis van de meest actuele gegevens, in de tarieven moet worden verdisconteerd);
- draagt de NZa op het betaalde griffierecht van € 365,- aan DFZS, € 365,- aan ARQ en € 730,- aan de Verenigingen te vergoeden;
Bijlage
[…]