Op 3 december 2021 legde de minister van Landbouw een boete van €7.500,- op aan [de vervoerder] wegens het vervoeren van een varken dat niet geschikt was voor transport, omdat het dier zich niet pijnloos kon voortbewegen. De minister baseerde dit op de Wet dieren, de Regeling houders van dieren en de Transportverordening (EG) nr. 1/2005.
[De vervoerder] maakte bezwaar tegen de boete, dat door de minister werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van [de vervoerder] gegrond voor zover het de hoogte van de boete betrof en matigde deze tot €6.750,-, mede vanwege een interne werkinstructie van de minister die matiging voorschrijft bij een termijn van meer dan zeven maanden tussen overtreding en boeteoplegging.
Het College van Beroep vernietigt het eerdere besluit over de boetehoogte en stelt de boete definitief vast op €5.625,-. Deze verdere matiging volgt op een nieuwe interne werkinstructie die een korting van 10% voorschrijft bij een termijn van meer dan 37 weken tussen rapport en boetebesluit, en een extra matiging van 5% wegens overschrijding van de redelijke termijn van vier jaar. De overige onderdelen van het eerdere besluit worden bevestigd.
Het College oordeelt dat de overtreding door [de vervoerder] is bewezen, dat de minister bevoegd was de boete op te leggen, en dat de verdediging niet is belemmerd. Tevens veroordeelt het College de minister tot vergoeding van de proceskosten van €907,- en draagt het op het betaalde griffierecht van €548,- aan [de vervoerder] te vergoeden.