ECLI:NL:CBB:2025:687

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
23/1903
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van boete opgelegd aan vervoerder wegens onveilige transportomstandigheden voor varkens

In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 9 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerder vonnis van de rechtbank. De zaak betreft een boete van € 1.500,- die op 3 juni 2022 door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is opgelegd aan [de vervoerder] B.V. De boete was het gevolg van het gebruik van vervoermiddelen die niet voldoen aan de eisen om letsel en onnodig lijden van dieren te voorkomen. De minister stelde dat [de vervoerder] in strijd heeft gehandeld met de Wet dieren en de Regeling houders van dieren, evenals met de Europese Verordening (EG) nr. 1/2005 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer.

Na het indienen van bezwaar door [de vervoerder] tegen het boetebesluit, heeft de minister dit bezwaar ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd. [de vervoerder] heeft hiertegen beroep aangetekend bij de rechtbank, die op 12 oktober 2023 het beroep ongegrond verklaarde. [de vervoerder] ging in hoger beroep, maar het College bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het College oordeelde dat de waarschuwing voor verscherpt toezicht geen besluit is en dat er geen bewijs is geleverd dat de verklaringen van medewerkers van [de vervoerder] niet gebruikt hadden mogen worden. De overtreding werd bevestigd, waarbij het College stelde dat het gebruik van het vervoermiddel niet op de juiste wijze was gebeurd, wat heeft geleid tot letsel bij de varkens. Het College concludeerde dat het tijdsverloop tussen de overtreding en de boetebeschikking geen aanleiding gaf tot matiging van de boete, en dat de geringe overschrijding van de redelijke termijn niet relevant was voor de beslissing.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1903
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025

Voorzitter: mr. W.J.A.M. van Brussel

Griffier: mr. E.M.M.A. Driessen
Zittingsgriffier: J. Bustin

Partijen

[de vervoerder] B.V., te [woonplaats] ( [de vervoerder] ), waarvoor geen aanwezigen op de zitting zijn verschenen.
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur(minister), vertegenwoordigd door mr. M.M. de Vries en mr. J. Knols

Beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Overwegingen

1. Op 3 juni 2022 heeft de minister [de vervoerder] een boete opgelegd van € 1.500,- (boetebesluit) omdat vervoermiddelen, containers en toebehoren niet zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd, en op zodanige wijze zijn onderhouden en gebruikt dat letsel en onnodig lijden van de dieren voorkomen wordt en hun veiligheid gegarandeerd is.
1.1
Volgens de minister heeft [de vervoerder] daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, en gelezen in samenhang met artikel 3, aanhef en onder c, en artikel 6, derde lid en bijlage I, hoofdstuk II, paragraaf 1, 1.1, aanhef en onder a, van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten (Transportverordening).
1.2
Met het besluit van 16 november 2022 (bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van [de vervoerder] tegen het boetebesluit ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd. In hetzelfde besluit heeft de minister het bezwaar van [de vervoerder] tegen de waarschuwing voor het verscherpt toezicht niet-ontvankelijk verklaard.
1.3
De rechtbank heeft het beroep van [de vervoerder] op 12 oktober 2023 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBROT:2023:9459). Tegen de aangevallen uitspraak heeft [de vervoerder] hoger beroep ingesteld.
2 De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Het hoger beroep slaagt dus niet. De redenen hiervoor zijn als volgt.
2.1
De waarschuwing verscherpt toezicht is, anders dan [de vervoerder] betoogt, geen besluit. Het oordeel van de rechtbank daarover is juist.
2.2
Er zijn geen verklaringen van medewerkers of vertegenwoordigers van [de vervoerder] gebruikt voor het bewijs. De beroepsgrond dat verklaringen niet mogen worden gebruikt omdat geen cautie is gegeven en niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand, faalt daarom al.
2.3
De overtreding bestaat eruit dat een vervoermiddel niet op zodanige wijze is gebruikt dat letsel en pijn bij de dieren is voorkomen. Of de hekjes al tijdens het vervoer openstonden is niet van belang. De toezichthouder heeft vastgesteld dat varkens die in het vervoermiddel aanwezig waren, gewond zijn geraakt door een openstaand hekje. Of dit tijdens het vervoer is gebeurd of na aankomst bij de slachterij, doet niet ter zake.
2.4
Het tijdsverloop tussen de dag van de overtreding en de datum van de boetebeschikking is geen grond voor matiging van de boete. Ook de geringe overschrijding van de redelijke termijn met twee dagen is in dit geval geen aanleiding om de boete te verlagen. Omdat het om een geringe boete gaat en een geringe overschrijding van de redelijke termijn, is het niet aannemelijk dat sprake is geweest van spanning en frustratie bij [de vervoerder] door langdurige onzekerheid over de uitkomst van de procedure.
w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. E.M.M.A. Driessen