ECLI:NL:CBB:2026:129

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
26/125
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Verordening winkeltijden Amsterdam 2017Art. 2, derde lid Verordening winkeltijden Amsterdam 2017Art. 3:2 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen weigering ontheffing winkeltijden Amsterdam

De ondernemer vroeg een ontheffing op grond van de Verordening winkeltijden Amsterdam 2017 om zijn avondwinkel langer te mogen openen. B&W weigerde deze ontheffing op basis van een algemeen veiligheidsbeeld en stelde dat de uitbreiding van openingstijden de openbare orde en veiligheid zou schaden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat B&W niet volstaat met een algemeen beeld, maar concrete aanwijzingen moet leveren dat de winkel daadwerkelijk bijdraagt aan overlast of onveiligheid. B&W kon dergelijke aanwijzingen niet overleggen, wat leidde tot schorsing van het weigeringsbesluit en het bestreden besluit.

De voorzieningenrechter veroordeelde B&W tevens tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De voorlopige voorziening geldt tot de uitspraak in de hoofdzaak, die naar verwachting door een meervoudige kamer zal worden behandeld.

De politie had aangegeven dat verruiming van openingstijden zou leiden tot meer overlast en onveiligheid, maar dit was onvoldoende onderbouwd om het besluit te handhaven. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige motivering en concrete feiten bij bestuursbesluiten die ontheffingen weigeren.

Uitkomst: Het besluit van B&W om de ontheffing te weigeren wordt geschorst en de ondernemer mag zijn winkel openen volgens de gevraagde verruimde openingstijden tot de uitspraak in de hoofdzaak.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 26/125
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (ondernemer)

(gemachtigde: mr. H.E.M. van Beurden),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (B&W)

(gemachtigden: T. Manav, F. Aaras en N. Grant).

Procesverloop

Met het besluit van 19 december 2024 (weigeringsbesluit) heeft B&W de aanvraag van de ondernemer voor een ontheffing op grond van artikel 6 van Pro de Verordening winkeltijden Amsterdam 2017 (Verordening) afgewezen.
De ondernemer heeft tegen het weigeringsbesluit bezwaar gemaakt.
Met de mondelinge uitspraak van 3 oktober 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:570) heeft de voorzieningenrechter hangende bezwaar een voorlopige voorziening getroffen waarbij het weigeringsbesluit is geschorst en is bepaald dat B&W de ondernemer moet behandelen als ware hij in het bezit van een ontheffing als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Verordening, waarbij de avondwinkel van maandag tot en met donderdag tot 01:00 uur en van vrijdag tot en met zondag tot 03:00 uur geopend mag zijn. Deze voorlopige voorziening vervalt zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van de ondernemer.
Bij beslissing op bezwaar van 10 februari 2026 (bestreden besluit) heeft B&W het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard en het weigeringsbesluit gehandhaafd.
De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat het bestreden besluit tot de uitspraak in beroep wordt geschorst en dat de ondernemer zijn winkel gedurende de schorsing mag openstellen van maandag tot en met donderdag tot 01:00 uur en van vrijdag tot en met zondag tot 03:00 uur als ware hij in het bezit van een ontheffing op grond van de Verordening.
De zitting was op 23 maart 2026. Aan de zitting hebben de ondernemer en de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit en het weigeringsbesluit worden geschorst en dat B&W de ondernemer moet behandelen als ware hij in het bezit van een ontheffing als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Verordening waarbij de avondwinkel van maandag tot en met donderdag tot 01:00 uur en van vrijdag tot en met zondag tot 03:00 uur geopend mag zijn;
  • bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt op de dag van de uitspraak op het beroep van de ondernemer;
  • draagt B&W op het betaalde griffierecht van € 397,- aan de ondernemer te vergoeden;
- veroordeelt B&W in de proceskosten van de ondernemer tot een bedrag van € 1.868,-.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter oordeelt dat de ondernemer spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Gelet op de door hem overgelegde financiële stukken heeft de ondernemer aannemelijk gemaakt dat de continuïteit van zijn bedrijfsvoering in het geding is als zijn winkel niet op de gevraagde tijden open mag zijn.
2 De voorzieningenrechter doet niet tevens uitspraak in de hoofdzaak, onder meer omdat naar verwachting het beroep in de hoofdzaak zal worden behandeld door een meervoudige kamer van het College.
3 Op grond van artikel 2, derde lid, van de Verordening kan B&W weigeren een ontheffing te verlenen, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de exploitatie van de winkel gevaar zal opleveren voor de openbare orde of veiligheid dan wel het woon- en leefklimaat ter plaatse op ontoelaatbare wijze nadelig zal beïnvloeden.
4 Zoals het College al vaker heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 augustus 2016, ECLI:NL:CBB:2016:279), kan het gemeentebestuur bij de weigering om een ontheffing te verlenen niet volstaan met alleen een algemeen beeld van de veiligheidssituatie, maar moeten er ook concrete aanwijzingen zijn dat de exploitatie van de betreffende winkel zal bijdragen aan de overlast of de onveiligheid.
5 In de uitspraak van 3 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van de ondernemer toegewezen omdat B&W weliswaar stukken had ingebracht waaruit kon worden opgemaakt dat criminaliteit, overlast, hangjongeren en onveiligheid reële problemen zijn in de [wijk 1] , maar geen informatie beschikbaar had gesteld op grond waarvan kon worden geconcludeerd dat deze problemen in enige mate te relateren zijn aan de winkel van de ondernemer. In bezwaar heeft de bezwaarschriftencommissie geadviseerd om aan de ondernemer een tijdelijke ontheffing te verlenen tot en met 30 april 2026, om zo tussentijds te kunnen evalueren wat de gevolgen van de verruimde openingstijden de winkel van de ondernemer op het woon- en leefklimaat ter plekke zijn. In het bestreden besluit heeft B&W dit advies niet overgenomen en het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard. B&W vindt de openbare orde en veiligheid in het gebied belangrijker dan de uitbreiding van de openingstijden van de ondernemer. B&W heeft daarbij gewezen op het volgende advies van de politie:
  • “Toekenning van de ontheffing druist volgens de politie volledig in tegen wat gemeente, stadsdeel, OM en politie in dit gebied proberen te bewerkstelligen met het [Programma] namelijk: een rustige en veilige omgeving met minder overlast voor bewoners in [gebied] en meer specifiek de [wijk 1] . Vanuit het [Programma] wordt ook gestuurd op preventieve inzet op bestrijding van onveiligheid. Ook de bredere (groeps-) aanpak [wijk 2] van het stadsdeel stuurt hierop.
  • Door de avondwinkel toe te staan om haar openingsuren te verruimen tot 02.00 uur (doordeweeks) en 03.00 uur (in het weekend) is het een reële verwachting dat er een nieuwe gelegenheid voor een onwenselijke hangplek/ ontmoetingsplek ontstaat. Te verwachten valt dat de drukte op de [straat] in geval van verlengde openingstijden alleen maar zal toenemen in plaats van verminderen. Volgens de politie werkt dit in potentie ook intimidatie in de hand en ontstaat hiermee een risico voor de veiligheid van de openbare orde.
  • De [straat] is al tijden lang een overlastgebied waar de politie geregeld overlastmeldingen uit ontvangen. Het is in de huidige situatie al een omgeving die hangjongeren en jongvolwassen aantrekt waarvan een deel uitmaakt van het door [naam 5] in kaart gebrachte criminele netwerk en vormt daarmee een voedingsbodem voor criminaliteit. Deze hangjongeren en jongvolwassenen zorgen geregeld ook voor intimidatie jegens bewoners, passanten en gezagsdragers. Met name in de avond /nachtelijke uren wordt de sfeer als onveilig ervaren. Het beeld van de politie is dan ook dat reguliere wijkbewoners zich na 22.00 uur ’s avonds niet vaak begeven op de [straat] .”
6 De voorzieningenrechter stelt vast dat B&W opnieuw geen informatie beschikbaar heeft gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat deze problemen in enige mate te relateren zijn aan de winkel van de ondernemer. B&W heeft dat tijdens de zitting ook erkend. Dat betekent dat het bestreden besluit, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en daarom in strijd is met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
7 De voorzieningenrechter veroordeelt B&W in de door de ondernemer gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 ,- en een wegingsfactor 1). Ook moet B&W het door de ondernemer betaalde griffierecht aan hem vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.
w.g. H.O. Kerkmeester w.g. M.L. Bosman
Afschrift verzonden aan partijen op: