Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2026 op de hoger beroepen van:
[naam 2], te [woonplaats 1] ( [naam 3] )
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Deze zaak betreft twee hoger beroepen tegen een uitspraak van de accountantskamer over een klacht van werknemers van Vattenfall tegen accountants die zitting hadden in de tuchtcolleges van de vereniging IIA Nederland.
De klacht richtte zich op het verwijt dat de accountants de tuchtrechtelijke procedure niet zorgvuldig en onpartijdig hadden gevoerd, met name omdat zij geen afstand namen van de beslissing om partijen niet mondeling te horen, terwijl dit volgens het reglement verplicht was. De accountantskamer verklaarde de klacht tegen twee accountants gedeeltelijk gegrond en legde hen een waarschuwing op.
In hoger beroep voerden de klagers aan dat de toetsing te terughoudend was en dat de accountants partijdig waren. De accountants stelden onder meer dat de klagers niet ontvankelijk waren en dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar hadden gehandeld. Het College oordeelde dat de klagers ontvankelijk zijn, de terughoudende toetsing passend is, en bevestigde dat de twee accountants in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid hebben gehandeld door niet te distantiëren van de beslissing om geen mondelinge behandeling te houden.
De overige klachten en hogerberoepsgronden werden verworpen. De opgelegde maatregel van waarschuwing blijft in stand. Het hoger beroep van de accountants en van de klagers wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het College verklaart de hoger beroepen ongegrond en bevestigt de waarschuwing aan twee accountants wegens schending van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.