7.3Verder valt deze hogerberoepsgrond uiteen in tien onderdelen waarbij [naam 3] zich op het standpunt stellen dat de accountantskamer verschillende klachtonderdelen niet of onjuist heeft beoordeeld. De accountantskamer zou bij verschillende klachtonderdelen hebben nagelaten te toetsen aan de fundamentele beginselen waaraan accountants zich dienen te houden bij de uitoefening van hun beroep.
Onderdeel 1 - Handreiking 1112
7.4.1Als eerste voeren [naam 3] aan dat de accountantskamer onder 4.3.1 van de bestreden uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat de NBA Handreiking 1112 niet van toepassing is op deze zaak. Anders dan de accountantskamer heeft overwogen, hebben de accountants een persoonsgericht onderzoek uitgevoerd, waardoor hun handelen en nalaten moet worden getoetst aan de gedragsaanwijzingen van de NBA Handreiking 1112.
7.4.2Bij de beoordeling van dit onderdeel stelt het College het volgende voorop. In de NBA Handreiking 1112 wordt onder een persoonsgericht onderzoek verstaan; de aan een accountant verleende opdracht waarvan het object bestaat uit het functioneren, handelen of nalaten van een (rechts)persoon, voor de uitvoering waarvan werkzaamheden met een verifiërend karakter worden verricht, onder andere bestaande uit het verzamelen en analyseren van al dan niet financiële gegevens en het rapporteren van de uitkomsten.
7.4.3Het College is met de accountantskamer van oordeel dat tuchtrechtspraak naar zijn aard geen persoonsgericht onderzoek is. Op het handelen en nalaten van de accountants als leden van de RvT en de RvB van de IIA is de NBA Handreiking 1112 dus niet van toepassing.
7.4.4Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.
Onderdeel 2 - Partijdigheid
7.5.1Met dit onderdeel stellen [naam 3] zich op het standpunt dat de accountantskamer ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de accountants hebben gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van objectiviteit. De accountants waren partijdig, want zij kenden [naam 8] vanwege de specifieke functie die zij uitoefende bij de IIA. Op de zitting van het College hebben [naam 3] toegelicht dat het aspect van partijdigheid blijkt uit de omstandigheid dat de leden van de RvT van de IIA tijdens de hoorzitting [naam 8] hebben aangesproken met haar voornaam. Verder hebben [naam 3] op de zitting bij het College betoogd dat de accountants zich in deze zaak hadden moeten verschonen en geen zitting in de RvT en de RvB hadden moeten nemen, omdat zij partijdig waren. Ook hebben [naam 3] aangevoerd dat zij de leden van de RvB hebben geprobeerd te wraken volgens artikel 13, vijfde lid, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak. Dit is ongemotiveerd door de RvB van de hand gewezen, want in de uitspraak van de RvB staat alleen dat de leden hun onpartijdigheid hebben getoetst en hebben vastgesteld dat zij in wezen en schijn onpartijdig zijn.
7.5.2Het College stelt vast dat uit het door [naam 3] gemaakte verslag van de hoorzitting van de RvT niet blijkt dat [naam 4] [naam 8] heeft aangesproken met haar voornaam. Alleen al hierom is het College van oordeel dat [naam 3] niet aannemelijk hebben gemaakt dat [naam 4] hierdoor enig fundamenteel beginsel heeft geschonden.
7.5.3Wat het betoog van [naam 3] betreft dat de accountants zich als leden van de RvT en de RvB hadden moeten verschonen, omdat zij [naam 8] uit hoofde van haar functie bij de IIA kenden, overweegt het College als volgt. Het College stelt vast dat het Reglement op de Tuchtrechtspraak niet voorziet in een regeling voor verschoning door de leden van de RvT en de RvB. Bovendien is in artikel 1, vierde lid, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak bepaald dat de leden van de RvT, leden van de vereniging IIA moeten zijn. Als het Reglement op de Tuchtrechtspraak zou hebben voorzien in een regeling voor verschoning, wat zoals hiervoor overwogen niet het geval is, dan zouden de accountants in de RvT zijn vervangen door andere leden van de IIA die [naam 8] eveneens uit hoofde van haar functie bij de IIA zouden kennen. Dit betoog van [naam 3] slaagt daarom niet.
7.5.4Het betoog van [naam 3] dat zij hebben geprobeerd om de leden van de RvB te wraken, maar dat de RvB ten onrechte heeft geoordeeld dat de leden in wezen en schijn onpartijdig zijn, slaagt evenmin. Als [naam 3] hierin zouden worden gevolgd, zou dit betekenen dat leden van de IIA geen deel zouden kunnen uitmaken van de RvB, omdat zij allen [naam 8] uit hoofde van haar functie bij de IIA kennen. Dit verhoudt zich niet met artikel 11, derde lid, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak dat bepaalt dat de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter van de RvB gewone leden van de vereniging zijn. Het vervangen van leden van de RvB door externe personen verhoudt zich evenmin met de aard van de verenigingstuchtrechtspraak, waarbij in beginsel de tuchtrechtspraakcolleges geheel of voor een zeer belangrijk deel worden gevormd door leden van de vereniging.
7.5.5Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.
Onderdeel 3 - Deugdelijke grondslag
7.6.1Met dit onderdeel voeren [naam 3] aan dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak ten onrechte niet is ingegaan op hun stelling dat de uitspraken van de RvT en de RvB tot stand zijn gekomen zonder deugdelijke grondslag. Op de zitting van het College hebben [naam 3] toegelicht dat in de uitspraak van de RvT staat dat [naam 8] heeft aangevoerd dat de finale versie van het memorandum is geschoond van de betreffende passages en een ander karakter had. De RvT heeft daarover in de uitspraak, verkort weergegeven, overwogen dat de RvT geen kennis heeft genomen van de finale versie van het memorandum, maar geen aanleiding ziet aan de stellingen van [naam 8] over die versie te twijfelen. Verder hebben [naam 3] op de zitting aangevoerd dat ook de RvB bij het doen van de uitspraak geen kennis heeft genomen van de finale versie van het memorandum. Daardoor ontberen de uitspraken van de RvT en de RvB een deugdelijke grondslag en hebben de accountants gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en onzorgvuldigheid.
7.6.2Zoals het College hiervoor onder 4.4 heeft overwogen, beoordeelt het College of (de onderdelen van) de hogerberoepsgronden betrekking hebben op individueel handelen en nalaten van de accountants als leden van de RvT en de RvB van de IIA. [naam 3] hebben op de zitting van het College desgevraagd verklaard dat zij over dit klachtonderdeel alleen [naam 4] een individueel verwijt kunnen maken en niet de andere accountants. Alleen al om die reden hebben [naam 3] niet aannemelijk gemaakt dat [naam 5] en [naam 6] , als leden van de RvB, in strijd hebben gehandeld met de fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en onzorgvuldigheid door geen kennis te nemen van de finale versie van het memorandum.
7.6.3Wat [naam 4] betreft, hebben [naam 3] op de zitting van het College aangevoerd dat hij als lid van de RvT tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij tijdens de hoorzitting heeft betwijfeld of hij de finale versie van het memorandum wel wilde hebben. In het door [naam 3] opgestelde transcript van de door [naam 3] gemaakte opname van de hoorzitting bij de RvT staat daarover het volgende vermeld:
“En de vraag is ook...of eh, ik twijfel of ik ze überhaupt zou willen hebben, eerlijk gezegd.”
Op de zitting van het College heeft [naam 4] de exacte bewoordingen van dit citaat betwist en toegelicht dat hij tijdens de hoorzitting hardop nadacht of de RvT de finale versie van het memorandum wel nodig had voor de beraadslaging en om te komen tot een oordeel. De klacht die [naam 3] bij de RvT hadden ingediend, had namelijk betrekking op de conceptversie van het memorandum. Zoals de RvT in zijn uitspraak heeft overwogen, is de RvT op basis van de conceptversie van het memorandum tot het oordeel gekomen, verkort weergegeven, dat [naam 8] met de betreffende passages in het conceptmemorandum onzorgvuldig heeft gehandeld als internal auditor. Het College acht deze verklaring van [naam 4] aannemelijk en het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer onder 4.5.2 van de bestreden uitspraak dat [naam 4] met deze opmerking niet heeft gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel.
7.6.4Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.
Onderdeel 4 - Objectiviteit
7.7.1Met dit onderdeel stellen [naam 3] zich op het standpunt dat de accountantskamer ten onrechte niet is ingegaan op hun klacht dat de accountants het fundamentele beginsel van objectiviteit hebben geschonden, omdat zij gevolg hebben gegeven aan de oproep van [naam 8] om de betreffende passages in de conceptversie van het memorandum niet objectief, maar subjectief te lezen.
7.7.2Het College komt aan een inhoudelijke beoordeling van dit onderdeel niet toe. Hierboven onder 4.4 heeft het College overwogen, samengevat, dat een tuchtprocedure bij het College in beginsel niet is bedoeld om de inhoud, de wijze van totstandkoming of het gezag van een privaatrechtelijke tuchtrechtuitspraak ter discussie te stellen en dat de klacht herleidbaar moet zijn tot een individuele accountant. Dit onderdeel heeft betrekking op de inhoud van de uitspraken van de RvT en de RvB en is niet herleidbaar tot een van de accountants.
7.7.3Verder volgt het College [naam 3] niet in hun betoog dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak niet heeft gerespondeerd op de klacht dat de accountants het fundamentele beginsel van objectiviteit hebben geschonden. Onder 4.5.2 van de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer over [naam 4] overwogen dat er, afgezien van de onder 4.5.2 van de bestreden uitspraak genoemde gedragingen, verder geen concrete gedragingen van [naam 4] zijn gesteld waarin hij in zijn rol als lid van de RvT gehandeld zou hebben in strijd met een of meer fundamentele beginselen. Verder heeft de accountantskamer onder 4.6.5 van de bestreden uitspraak over [naam 5] en [naam 6] overwogen, verkort weergegeven, dat de omstandigheid dat de RvB overwegingen uit de uitspraak van de RvT heeft overgenomen en dat de RvB wat betreft de schending van de IIA Gedragscode Internal Auditors (2017) tot eenzelfde oordeel als de RvT is gekomen, niet met zich brengt dat [naam 5] en [naam 6] hiermee hebben gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel. In deze overwegingen van de accountantskamer ligt besloten dat de accountantskamer het handelen en nalaten van de accountants, binnen het kader van de door [naam 3] ingediende klacht en voor zover het karakter van de terughoudende toetsing dat toelaat, heeft getoetst aan de fundamentele beginselen voor accountants volgens de VGBA, waaronder het fundamentele beginsel van objectiviteit.
7.7.4Gelet op het voorgaande slaagt dit onderdeel van de hogerberoepsgrond niet.
Onderdeel 5 - Onjuiste bewijswaardering
7.8.1Met dit onderdeel voeren [naam 3] aan dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak ten onrechte niet is ingegaan op hun stelling dat de RvT en de RvB het bewijs onjuist hebben gewaardeerd. De RvT en de RvB hebben hun uitspraken mede gebaseerd op de finale versie van het memorandum, terwijl de leden van de RvT en de RvB die versie niet hebben gezien. Op de zitting van het College hebben [naam 3] aangevoerd dat [naam 7] onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat hij als secretaris van de RvT heeft nagelaten om tijdens de procedure bij de RvT de finale versie van het memorandum op te vragen bij [naam 8] .
7.8.2Voor zover dit onderdeel ziet op de wijze waarop de RvT en de RvB het bewijs hebben gewaardeerd, komt het College aan een inhoudelijke beoordeling daarvan niet toe. Dit stuit af op wat het College hierboven onder 4.4 heeft overwogen, namelijk dat een tuchtprocedure bij het College in beginsel niet is bedoeld, verkort weergegeven, om de inhoud en de wijze van totstandkoming van een privaatrechtelijke tuchtrechtuitspraak ter discussie te stellen en dat de klacht herleidbaar moet zijn tot een individuele accountant. Dit onderdeel is, afgezien van het verwijt dat [naam 3] aan het adres van [naam 7] maken, niet herleidbaar tot een individuele accountant en de bewijswaardering ziet op de inhoud en de wijze van totstandkoming van de uitspraken van de RvT en de RvB.
7.8.3Anders dan [naam 3] is het College van oordeel dat de accountantskamer in voldoende mate heeft gerespondeerd op dit klachtonderdeel. Zoals het College hierboven onder 7.7.3 heeft overwogen, ligt in de overwegingen 4.5.2 en 4.6.5 van de bestreden uitspraak besloten dat de accountantskamer het handelen en nalaten van de accountants binnen het kader van de klacht van [naam 3] heeft getoetst aan de fundamentele beginselen voor accountants volgens de VGBA.
7.8.4Voor zover [naam 3] met dit onderdeel hebben bedoeld aan te voeren dat [naam 7] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij als secretaris van de RvT heeft nagelaten om de finale versie van het memorandum bij [naam 8] op te vragen, oordeelt het College als volgt. Uit het Reglement op de Tuchtrechtspraak volgt niet dat het de verantwoordelijkheid van [naam 7] als secretaris van de RvT was om op eigen initiatief stukken op te vragen, omdat dit een bevoegdheid is van de RvT of, in voorkomend geval, de voorzitter van de RvT. Daarover heeft [naam 4] op de zitting bij het College toegelicht dat de RvT van oordeel was dat de RvT niet behoefde te beschikken over de finale versie van het memorandum, omdat de RvT op basis van de conceptversie van het memorandum kon vaststellen dat [naam 8] met de betreffende passages in het conceptmemorandum onzorgvuldig heeft gehandeld als internal auditor. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat [naam 3] niet aannemelijk hebben gemaakt dat [naam 7] in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.
7.8.5Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.
Onderdeel 6 - Opmerking van [naam 4]
7.9.1Met dit onderdeel stellen [naam 3] zich op het standpunt dat de overweging van de accountantskamer onder 4.5.2 van de bestreden uitspraak onbegrijpelijk is. Hierin heeft de accountantskamer overwogen dat [naam 4] , door het maken van een opmerking tijdens de hoorzitting van de RvT of hij de finale versie van het memorandum wel zou willen hebben, niet heeft gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel.
7.9.2Met dit onderdeel voeren [naam 3] in wezen hetzelfde aan als met het derde onderdeel. Zoals het College hiervoor onder 7.6.3 heeft overwogen, onderschrijft het College het oordeel van de accountantskamer onder 4.5.2 van de bestreden uitspraak.
7.9.3Het zesde onderdeel deelt dus het lot van het derde onderdeel en slaagt niet.
Onderdeel 7 - Externe deskundigen
7.10.1Met dit onderdeel keren [naam 3] zich tegen overweging 4.6.4 van de bestreden uitspraak. De accountantskamer heeft daarin overwogen dat [naam 5] en [naam 6] niet hebben gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, ook al heeft de RvB in zijn uitspraak niet gemotiveerd welke rol de door de RvB geraadpleegde deskundigen hadden en heeft de RvB niet de bevindingen van de deskundigen aan [naam 3] voorgelegd.
7.10.2Op de zitting van het College hebben [naam 5] en [naam 6] toegelicht dat de door [naam 3] ingediende klacht de eerste klacht was die de RvB moest behandelen. De RvB heeft deskundigen geraadpleegd over de vraag hoe de RvB tot een procedureel raamwerk kon komen voor de behandeling van de klacht. Daarbij heeft de RvB niet inhoudelijk met de deskundigen over de klacht gesproken. Deze toelichting komt overeen met wat ook al in de uitspraak van de RvB is overwogen. Het College ziet geen aanleiding om aan deze toelichting te twijfelen. Gelet op deze toelichting en de aard van verenigingstuchtrechtspraak, waarbij de tuchtprocedure wordt vormgegeven door de leden van de vereniging, onderschrijft het College het oordeel van de accountantskamer onder 4.6.4 van de bestreden uitspraak. Het verdiende wellicht de voorkeur om in de uitspraak van de RvB de rol van de deskundigen te duiden en om partijen op de bevindingen van de deskundigen te laten reageren, maar gelet op de terughoudende toetsing van het handelen en nalaten van accountants die deelnemen aan verenigingstuchtrechtspraak, hebben [naam 3] niet aannemelijk gemaakt dat [naam 5] en [naam 6] in strijd hebben gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Daarbij komt dat de uitspraak van de RvB een aangelegenheid is van de RvB als geheel en als zodanig niet individueel herleidbaar is tot [naam 5] en [naam 6] . Voor zover [naam 3] op de zitting hebben betoogd dat [naam 5] en [naam 6] zich hadden moeten distantiëren, zodat zij geen verantwoordelijkheid voor de uitspraak van de RvB dragen, volgt het College [naam 3] daarin niet. Naar het oordeel van het College betreft de raadpleging in dit geval niet een zodanige uitzonderlijke omstandigheid dat [naam 5] en [naam 6] zich op enige wijze hadden moeten distantiëren.
7.10.3Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.
Onderdeel 8 - Handelen van [naam 7]
7.11.1Met dit onderdeel voeren [naam 3] aan dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat [naam 7] als secretaris van de RvT niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, ook al had hij naar eigen zeggen geen flauw idee hoe een tuchtklacht moest worden behandeld.
7.11.2Met dit onderdeel keren [naam 3] zich tegen overweging 4.4.2 van de bestreden uitspraak. Hierin heeft de accountantskamer geoordeeld, samengevat, dat het gegeven dat [naam 7] in zijn rol als secretaris van de RvT naar eigen zeggen geen flauw idee had hoe een tuchtklacht behandeld moest worden op zichzelf genomen niet klachtwaardig is. [naam 7] heeft er namelijk zorg voor gedragen dat de klacht in behandeling is genomen en dat deze is voorgelegd aan de RvT. Verder hebben [naam 3] geen concrete gedragingen van [naam 7] gesteld waarmee hij in zijn rol als secretaris van de RvT in strijd zou hebben gehandeld met een of meer fundamentele beginselen. Het College maakt dit oordeel van de accountantskamer tot het zijne.
7.11.3Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.
Onderdeel 9 - Geheimhoudingsverklaring
7.12.1Met dit onderdeel voeren [naam 3] aan dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat zij niet hebben onderbouwd dat de RvT en de RvB aan hen hebben gevraagd om een geheimhoudingsverklaring te ondertekenen.
7.12.2Dit onderdeel is gericht tegen overweging 4.3.4 van de bestreden uitspraak. Hierin heeft de accountantskamer overwogen, samengevat, dat voor zover [naam 3] erover klagen dat hen aanvankelijk was gevraagd om een geheimhoudingsverklaring te ondertekenen, [naam 3] de correspondentie hierover niet in het geding hebben gebracht. Daardoor hebben [naam 3] dit onderdeel onvoldoende onderbouwd en kan dit klachtonderdeel niet slagen. Bovendien is niet in geschil dat de RvT en de RvB niet hebben vastgehouden aan de, volgens [naam 3] , aanvankelijk gestelde eis om een geheimhoudingsverklaring te ondertekenen.
7.12.3Het College is met de accountantskamer van oordeel dat dit onderdeel niet slaagt, omdat [naam 3] dit onderdeel onvoldoende hebben onderbouwd. Ook in hoger beroep hebben [naam 3] nagelaten om de correspondentie hierover, waaruit zij in hun klaagschrift slechts enkele zinsneden hebben geciteerd, te overleggen, terwijl dat op hun weg lag. De civielrechtelijke uitspraken van de Hoge Raad waarnaar [naam 3] verwijzen zijn hier niet van toepassing en leiden het College niet tot een andere conclusie.
7.12.4Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.
Onderdeel 10 - Uitspraak van de RvB niet met redenen omkleed
7.13.1Met dit onderdeel keren [naam 3] zich tegen overweging 4.6.5 van de bestreden uitspraak. Hierin heeft de accountantskamer, samengevat, geoordeeld dat de omstandigheid dat de RvB overwegingen uit de uitspraak van de RvT heeft overgenomen niet betekent dat [naam 5] en [naam 6] gehandeld hebben in strijd met enig fundamenteel beginsel, nog daargelaten dat de uitspraak van de RvB, wat betreft het opleggen van een maatregel aan [naam 8] , wel degelijk afwijkt van de uitspraak van de RvT. Volgens [naam 3] heeft de RvB in strijd gehandeld met artikel 15, eerste lid, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak, omdat de RvB zijn uitspraak niet met redenen heeft omkleed.
7.13.2Naar het oordeel van het College ziet dit onderdeel op de inhoud van de uitspraak van de RvB en, zoals het College hiervoor onder 4.4 heeft overwogen, is een tuchtprocedure bij het College in beginsel niet bedoeld om de inhoud van een dergelijke privaatrechtelijke tuchtrechtuitspraak ter discussie te stellen. In de stelling van [naam 3] , dat de uitspraak van de RvB in strijd zou zijn met artikel 15, eerste lid, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak ziet het College geen aanleiding om daarover anders te oordelen. In artikel 15, eerste lid, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak is bepaald, verkort weergeven, dat de schriftelijke uitspraak van de RvB met redenen omkleed moet zijn. De uitspraak van de RvB is met redenen omkleed, ook al heeft de RvB overwegingen uit de uitspaak van de RvT overgenomen.
7.13.3Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.