Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:157

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
25/280
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 5:46 AwbArt. 57 Msw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor overschrijding meststoffenwet ondanks familieconflict

De maatschap exploiteert een melkveehouderij en kreeg een boete opgelegd wegens overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en fosfaatgebruiksnorm in 2021. De minister handhaafde het boetebesluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de bijzondere omstandigheden onvoldoende waren voor matiging.

In hoger beroep voerde de maatschap aan dat een familieconflict in 2021 leidde tot nalatigheid bij het afvoeren van mest, wat de boete rechtvaardigt maar de hoogte ervan buitensporig maakt. Het College overwoog dat boetes punitieve sancties zijn en toetste de evenredigheid aan het EVRM. De omstandigheden van het familieconflict waren niet zodanig bijzonder dat matiging gerechtvaardigd is.

Het College bevestigde dat de maatschap haar verplichtingen niet kon ontlopen door persoonlijke omstandigheden en dat van ondernemers verwacht mag worden dat zij bedrijfshulp inschakelen bij belemmeringen. Het hoger beroep werd verworpen en de boete gehandhaafd.

Uitkomst: Het College bevestigt de boete van €22.587,- wegens overschrijding meststoffenwet ondanks familieconflict.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/280

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 op het hoger beroep van:

Maatschap [naam 1] , te [woonplaats] (de maatschap)

(gemachtigde: [naam 2] )
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 februari 2025, 23/4954, in het geding tussen

de maatschapende minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa)

Procesverloop in hoger beroep

De maatschap heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 februari 2025 (ECLI:NL:RBNNE:2025:742).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
De maatschap heeft nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 3 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen en [naam 3] .

Grondslag van het geschil

1.1
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
1.2
De maatschap exploiteert een melkveehouderij. Bij besluit van 20 juli 2023 heeft de minister de maatschap een boete opgelegd van € 22.587,- wegens overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en de fosfaatgebruiksnorm in 2021.
1.3
Bij zijn besluit van 16 oktober 2023, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het boetebesluit gehandhaafd.

Uitspraak van de rechtbank

2 De rechtbank heeft het beroep van de maatschap ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de maatschap op bijzondere omstandigheden niet slaagt. De rechtbank kan zich voorstellen dat de omstandigheden die de maatschap in de gedingstukken en op de zitting heeft toegelicht, impact hebben gehad en nog steeds hebben. Maar dit betekent nog niet dat de overtreding haar niet kan worden verweten of dat er een matiging van de boete moet komen. De omstandigheden zijn daarvoor onvoldoende bijzonder. Ook andere landbouwbedrijven kunnen met dit soort problemen te maken hebben. Van hen kan dan als ondernemer worden verwacht dat zij extra hulp of adviseurs inschakelen voor de dagelijkse bedrijfsvoering. Niet gebleken is dat de maatschap dat heeft gedaan. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom de bijzondere omstandigheden die de maatschap heeft aangevoerd, niet tot een matiging leiden. De boete is niet onevenredig en er is geen aanleiding om deze te matigen.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3
De maatschap betwist in hoger beroep de hoogte van de boete van € 22.587,- vanwege persoonlijke omstandigheden in 2021. De maatschap heeft toegelicht dat in januari 2021 een familieconflict is begonnen. De andere maat van de maatschap kon de situatie niet opvangen, omdat het een maatschap is tussen man en vrouw. Zij waren beiden onderdeel van het familieconflict. De mest is niet afgevoerd, omdat er gewoon niet aan is gedacht. Er kwamen maandelijks brieven van ouders en broer en advocaten met dreigementen en deadlines, waardoor de maten op een gegeven moment nergens anders meer aan konden denken. De mest had moeten worden afgevoerd en dat daar een boete tegenover staat is terecht, maar de hoogte van de boete is buiten proportie.
4 Zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 3 september 2024, ECLI:NL:CBB:2024:612) is een boete als hier aan de orde een punitieve sanctie, die valt onder het bereik van artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dat brengt mee dat het College dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Het opgelegde boetebedrag is vastgesteld in een wettelijk voorschrift. Zoals volgt uit de rechtspraak van het College (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 januari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:2) vormt voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen de bepaling van artikel 5:46, derde lid, van de Awb het kader voor de op artikel 6 van Pro het EVRM gebaseerde evenredigheidstoets. Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of de op grond van artikel 57 van Pro de Msw voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet al bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden.
5 Hoewel het College begrijpt dat het familieconflict voor de maten ingrijpend is, ontslaat dat de maatschap niet van haar verplichtingen om de regelgeving na te komen. De rechtbank oordeelt terecht dat de omstandigheden in dit geval onvoldoende bijzonder zijn. Het conflict hangt samen met de overname van de boerderij. Daar ontstaan vaker familieconflicten uit. Voor zover het conflict de maten belemmerde in de dagelijkse bedrijfsvoering mocht van hen als ondernemers verwacht worden dat ze daarvoor bedrijfshulp hadden ingeschakeld.
6 Het hoger beroep slaagt niet. Het College zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
7 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. I.C. Hof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
w.g. R.C. Stam w.g. I.C. Hof