Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2026 op het hoger beroep van:
Maatschap [naam 1] , te [vestigingsplaats] (maatschap)
(gemachtigde: P.J. Houtsma),
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Procesverloop in hoger beroep
De zitting was op 29 januari 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Namens de maatschap is ook [naam 2] verschenen.
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
Samenstelling van de aangewende meststof fosfaat bij varkens
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
artikel 7 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Dit artikel, het zogenoemde legaliteitsbeginsel of lex certa-beginsel, verlangt van de wetgever dat hij met het oog op de rechtszekerheid op een zo duidelijk mogelijke wijze de verboden gedraging omschrijft. Dat vereist in ieder geval dat de invulling van een wettelijke bepaling voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar dient te zijn. Dit betekent ook dat voorzienbaar dient te zijn onder welke omstandigheden in strijd wordt gehandeld met een bepaling. Op zitting heeft de maatschap toegelicht dat haar betoog niet zozeer is gericht op de voorzienbaarheid van de boete, maar op de invulling van de toepassing van de vrije bewijsleer omdat niet duidelijk is welke bewijzen de minister nodig heeft.