Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 op het hoger beroep van:
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Procesverloop in hoger beroep
Inleiding
“Powerbank ontploft tijdens laden, type 10000MHA Model ISW.32.501 of Model ISW.32.502 deze zijn van het merk Kruidvat, mevrouw heeft alles retour aan Kruidvat gedaan dus er is niet iets om op te halen en er zijn geen foto's van het product gemaakt.”
1) Overtreding van artikel 18, aanhef en onder a, van de Warenwet: er werden waren, niet zijnde eet- en drinkwaren, aangeduid als Powerbank Kruidvat, type 10.000 mAh, verhandeld waarvan degene die de waar verhandelt, weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij bij het gezien hun bestemming te verwachten gebruik bijzondere gevaren kunnen opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens, of indien het technische voortbrengselen betreft, tevens voor de veiligheid van zaken.
2) Overtreding van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, gelet op het tweede lid, onderdeel b en onder 2°, in samenhang gelezen met artikel 2a, eerste lid, van het Warenwetbesluit algemene productveiligheid: er zijn geen passende acties ondernomen om mogelijke veiligheids- en gezondheidsrisico’s van dit product te voorkomen. Er is geen onderzoek gedaan naar de oorzaak van de klachten omtrent de ontplofte producten, te weten Powerbanks Kruidvat, type 10.000 mAh.
3) Overtreding van artikel 21b, eerste lid, van de Warenwet: er zijn door de onderneming waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, voor zover die in de particuliere sfeer kunnen worden gebruikt, te weten Powerbanks Kruidvat, type 10.000 mAh, verhandeld waarvan zij wist, of op grond van de haar ter beschikking staande gegevens beroepshalve behoorde te weten, dat die waren een gevaar opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens. De onderneming heeft de NVWA daarvan niet onmiddellijk op de hoogte gesteld en niet aangegeven welke maatregelen door haar zijn genomen ter bescherming van de genoemde belangen.
Voor overtreding 2 heeft de minister de standaardboete van € 1.590,- opgelegd. Voor overtredingen 1 en 3 heeft de minister twee omzetgerelateerde boetes van elk € 435.000,- opgelegd in verband met grove schuld.
Uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het hoger beroep
Overtreding 1
fault ratevan de powerbanks. De minister en de rechtbank hebben dat miskend. Bovendien heeft Difung, de fabrikant van de powerbanks van het type ISW.32.501/502 waar de meldingen van 3 december 2019 en 21 januari 2020 over gaan, na onderzoek geconcludeerd dat de oorzaak van de ontploffing niet kan worden vastgesteld, dat er (dus) geen bewijs is dat de oorzaak van de ontploffing in de powerbank zelf was gelegen en dat de meest waarschijnlijke oorzaak is dat de schade aan het batterijpakket door de gebruiker is veroorzaakt. DNV heeft in het rapport van 9 juni 2023 vastgesteld dat dit een ‘plausibele verklaring’ is.
fault rate, zoals de onderneming heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Voor de vaststelling dat de powerbanks bijzondere gevaren kunnen opleveren is niet vereist dat deze gevaren ook daadwerkelijk zijn opgetreden bij een bepaald aantal van de verkochte powerbanks. Verder heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat de onderneming redelijkerwijs moest vermoeden dat sprake was van bijzondere gevaren. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat de onderneming in 2018 al door de NVWA is gewezen op het belang van temperatuurbewaking bij lithium-ion cellen. Daarnaast heeft de onderneming op 3 december 2019 en 21 januari 2020 meldingen ontvangen over ontplofte powerbanks. Deze meldingen gingen weliswaar over het type ISW.32.501/502, maar de rechtbank heeft op goede gronden geconcludeerd dat dit type vergelijkbaar is met het type ISW.47.324 dat door de NVWA is onderzocht. De minister heeft er terecht op gewezen dat de onderneming als producent de beschikking had over het technisch dossier van beide type powerbanks. Daaruit had zij kunnen afleiden dat bij beide types sprake was van dezelfde tekortkomingen. Dit betekent dat de onderneming (ook) op grond van deze meldingen redelijkerwijs moest vermoeden dat de powerbanks bijzondere gevaren konden opleveren. Dat Difung de oorzaak van de ontploffing van de door haar onderzochte powerbank niet heeft kunnen vaststellen, betekent niet dat er geen sprake was van bijzondere gevaren. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat vaststaat dat de onderneming artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Warenwet heeft overtreden en dat de minister bevoegd was om daarvoor een bestuurlijke boete op te leggen.
Overtreding 3
guidancedie de NVWA zelf geeft voor deze meldplicht. De onderneming verwijst naar de pagina’s 10 en 11 van de Gids voor corrigerende acties inclusief het terughalen van producten (Gids) en stelt dat daaruit blijkt dat het opsporen van eventuele gebreken en hun oorzaken voorafgaat aan het informeren van de toezichthoudende instanties. Het is (achteraf) meten met twee maten en in strijd met het vertrouwensbeginsel als een boete wordt opgelegd voor een handelwijze die daarmee in lijn is. In aanvulling daarop geldt dat de door de NVWA ten aanzien van powerbank type ISW.47.324 geconstateerde (vermeende) tekortkomingen per brief van 26 maart 2020 door de NVWA aan de onderneming zijn gemeld. Na ontvangst van die brief beschikte de onderneming niet over enige informatie die niet reeds bij de NVWA (minister) bekend was en er rustte op haar dan ook geen verplichting tot het doen van een melding. Ten aanzien van powerbank type ISW.32.501/502 geldt dat de NVWA deze niet heeft onderzocht. Zonder de uitkomst van het onderzoek door Difung te kennen, beschikte de onderneming niet over gegevens dat deze powerbank ‘een gevaar oplevert voor de veiligheid of gezondheid van de mens’. Het onderzoek door Difung bevestigde dat de oorzaak van de ontploffing niet kan worden vastgesteld. Dit onderstreept dat de onderneming, voordat zij bekend werd met de uitkomst van dat onderzoek, niet had kunnen vermoeden dat alleen vanwege de non-conformiteit sprake was van “bijzondere gevaren”. In die fase rustte op de onderneming dan ook geen (verdergaande) verplichting tot het doen van een (nadere) melding als bedoeld in artikel 21b van de Warenwet. Bovendien heeft zij de onderzoeksresultaten van Difung gedeeld met de NVWA nog voordat het rapport van bevindingen was opgemaakt. Ten slotte stelt de onderneming dat de parallel die de rechtbank trekt met het voorval uit 2018 niet opgaat. Dat voorval ging over een hoverboard die, anders dan de powerbank, onder de Machinerichtlijn viel. De onderneming was niet de producent maar enkel de distributeur en beschikte daarom niet over het wettelijk vereiste technisch dossier. De onderneming kon dus niet weten welk onderdeel van dat product mogelijk gebrekkig zou zijn. Verder is toen slechts sprake geweest van een waarschuwing waar geen bezwaar en beroep tegen openstond. Het is in strijd met het verdedigingsbeginsel om deze maatregel nu mede ten grondslag te leggen aan deze bestuurlijke boetes.
Waarschuwing of boete?
fault rateen aan de
guidanceopgenomen in de Gids van de NVWA.
fault rate, kan niet aan de ernst van de overtredingen afdoen. Voor een ernstige, klasse B, overtreding wordt volgens het interventiebeleid direct een bestuurlijke boete opgelegd. Dat is in dit geval passend. Er is geen reden waarom in dit geval volstaan had moeten worden met het geven van een waarschuwing.
fault ratekan, zoals de minister terecht heeft opgemerkt, niet afdoen aan de ernst van de overtredingen, zie hiervoor onder 4.3. Zoals hiervoor onder 5.3 is overwogen, heeft de onderneming niet in lijn met de aanwijzingen uit de Gids gehandeld. Ook dit is dus geen reden om af te zien van het opleggen van een bestuurlijke boete.
Omzetgerelateerde boete
“De mogelijkheid tot het opleggen van een omzetgerelateerde boete ontstaat dus alleen indien de in de overtreding genoemde gedraging opzettelijk of met grove schuld is verricht. […] Stelt de overtreden bepaling dat de overtreder wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bepaalde gevolgen konden intreden (zoals bijvoorbeeld artikel 18 van Pro de Warenwet), dan is dat de invulling van opzet respectievelijk grove schuld.”
Zowel artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, als artikel 21b van de Warenwet stelt dat de overtreder wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bepaalde gevolgen konden intreden. Zoals het College hiervoor heeft geoordeeld, geldt in dit geval voor beide overtredingen dat de onderneming redelijkerwijs moest vermoeden dat de genoemde gevolgen konden intreden. Daarmee staat vast dat sprake is van grove schuld en was de minister dus bevoegd om een omzetgerelateerde boete op te leggen. Dat de minister en de rechtbank eraan voorbij zouden zijn gegaan dat er sprake is van een discretionaire bevoegdheid en dat er geen belangenafweging zou zijn gemaakt, volgt het College niet. De minister heeft uitgebreid en voldoende redengevend gemotiveerd waarom er in dit geval voor is gekozen om een omzetgerelateerde boete op te leggen. Het College wijst er daarbij op dat uit de nota van toelichting volgt dat de wetgever heeft gekozen voor een discretionaire bevoegdheid om de mogelijkheid te houden af te zien van een omzetgerelateerde boete indien dit tot zeer ongewenste effecten leidt. Niet is gebleken dat daar in dit geval sprake van is.
Hoogte en evenredigheid van de boete
Gelijkheidsbeginsel
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Conclusie