Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:275

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
22/1341 en 22/1342
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet tuchtrechtspraak accountantsStandaard 240.5Standaard 240.6Standaard 240.7Standaard 240.13
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen maatregel tijdelijke doorhaling accountant wegens tekortkomingen controle jaarrekeningen 2012-2014

Deze zaak betreft het hoger beroep van een registeraccountant tegen een maatregel opgelegd door de accountantskamer wegens tekortkomingen in de controle van de jaarrekeningen 2012 tot en met 2014 van Koninklijke Distilleerderij [naam 2] B.V. De curator in het faillissement van deze vennootschap had een klacht ingediend over meerdere aspecten van de controle, waaronder de controle van memoriaalboekingen, filiaalvoorraad, liquide middelen, crediteuren, consolidatie en waardering van vorderingen.

De accountantskamer verklaarde enkele klachtonderdelen gegrond en legde een tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant op voor de duur van één maand. Zowel de accountant als de curator gingen in hoger beroep. Het College van Beroep heeft de klachtonderdelen a.1, a.2 en a.4 (post overige waardebonnen) ongegrond verklaard, waarmee het hoger beroep van de accountant deels wordt toegewezen. De overige gegronde klachtonderdelen blijven gehandhaafd.

Het College oordeelt dat de accountant onvoldoende controlewerkzaamheden heeft verricht op meerdere materiële onderdelen, waaronder kasgeld, pinbetalingen, vorderingen en inzicht in de groepsstructuur. Hierdoor was er geen voldoende deugdelijke grondslag voor de goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 2014. De opgelegde maatregel van tijdelijke doorhaling blijft in stand. De uitspraak is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door een meervoudige kamer van het College van Beroep.

Uitkomst: De maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant voor één maand wordt gehandhaafd, met gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de accountantskamer.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 22/1341 en 22/1342

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 op de hoger beroepen van:

mr. [naam 1](curator), kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Koninklijke Distilleerderij [naam 2] B.V. ( [naam 2] )
(gemachtigde: mr. B. Vermue)
en

drs. [naam 3] , voorheen registeraccountant, te Rotterdam

(gemachtigde: mr. drs. J.F. Garvelink)
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 20 juni 2022 waarbij is beslist op een klacht, ingediend door de curator (voorheen twee curatoren) tegen [naam 3] .

Procesverloop in hoger beroep

De curator en [naam 3] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 20 juni 2022, met nummer 21/1616 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2022:22).
Partijen hebben een schriftelijke reactie gegeven op elkaars hogerberoepschriften.
[naam 3] heeft een nader stuk ingezonden.
De zitting was op 16 december 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen de curator, de gemachtigde van de curator, [naam 3] , de gemachtigde van [naam 3] , mr. [naam 4] en [naam 5] .

Grondslag van het geschil

1.1
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de uitspraak van de accountantskamer. Het College volstaat met het volgende.
1.2 [naam 3] was vanaf 10 december 1997 ingeschreven in het accountantsregister van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants. Zijn inschrijving is per 1 april 2023 doorgehaald op eigen verzoek.
1.3
Deze procedure gaat over een klacht die tegen [naam 3] is ingediend door de curator in het faillissement van [naam 2] . [naam 2] stond aan het hoofd van de [naam 2] -groep. De activiteiten van de [naam 2] -groep bestonden voornamelijk uit de productie van, en groothandel en detailhandel in, alcoholische dranken en wijnen. [naam 2] had een groot aantal tot de groep behorende dochtermaatschappijen, waaronder [naam 6] C.V. ( [naam 6] ). De aandelen [naam 2] werden voor 51% gehouden door [naam 7] Beheer B.V. ( [naam 7] Beheer) en voor 49% door Holdingmaatschappij [naam 8] B.V. ( [naam 8] ). [naam 7] Beheer hield 51,55% van de aandelen van [naam 8] . [naam 7] Beheer had naast [naam 2] ook een aantal andere dochtermaatschappijen. Het College zal [naam 7] Beheer en deze andere dochtermaatschappijen hierna gezamenlijk aanduiden als [naam 7] c.s.
1.4
[naam 3] heeft als externe accountant vanuit [naam 9] de (geconsolideerde) jaarrekeningen 2012 tot en met 2014 van [naam 2] gecontroleerd. Op 4 juli 2013, 13 februari 2015 en 29 oktober 2015 heeft [naam 3] goedkeurende controleverklaringen afgegeven bij respectievelijk de jaarrekeningen 2012, 2013 en 2014 van [naam 2] . De controle van de jaarrekening 2015 van [naam 2] is niet voltooid.
1.5
In 2016 heeft een intern onderzoek plaatsgevonden naar mogelijke fraude en onjuiste boekingen bij [naam 6] . Dit heeft geleid tot forse afboekingen ten bedrage van € 22.000.000,-. De huisbankier van [naam 2] heeft vervolgens geweigerd om een kredietverhoging te verlenen. Dit leidde vanaf 1 juli 2016 tot surséance van betaling van [naam 2] . Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 juli 2016 is [naam 2] failliet verklaard. De overige tot de groep behorende vennootschappen zijn kort hierna eveneens gefailleerd.
1.6
De CEO van [naam 6] en bestuurder van [naam 2] , [naam 10] , heeft op 16 augustus 2019 schriftelijk erkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan boekhoudfraude bij [naam 6] . In zijn verklaring noemt hij in dit verband het in de administratie opnemen van memoriaalboekingen zonder voldoende grond.
1.7
De curator heeft gevraagd om volledige inzage in de controledossiers, maar dit is geweigerd door [naam 3] . Deze weigering heeft geleid tot een kort geding bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam. Met het vonnis van 20 december 2019 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van de curator afgewezen.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1
De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, houdt in dat [naam 3] volgens de curator heeft gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. De curator verwijt [naam 3] dat hij:
a. is tekortgeschoten in de door hem verrichte controlewerkzaamheden ten aanzien van de:
1. memoriaalboekingen;
2. filiaalvoorraad;
3. materiele vaste activa;
4. liquide middelen;
5. crediteuren en overlopende passiva;
6. beoordeling van de consolidatie;
7. beoordeling van de volwaardigheid van de vorderingen op [naam 7] c.s.;
b. in het kader van een kort geding op 6 december 2019 bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam bewust onjuiste en misleidende verklaringen heeft afgelegd;
c. ten onrechte heeft geweigerd om een afschrift van (delen van) de controledossiers met betrekking tot de jaren 2012, 2013 en 2014 aan de curator te verstrekken.
2.2
Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klachtonderdelen a.3, b en c ongegrond verklaard en de klachtonderdelen a.1, a.2, a.4, a.5, a.6 en a.7 gegrond verklaard. De accountantskamer heeft aan [naam 3] de maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra), te weten die van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van één maand.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Inleiding
3.1
Het College zal hieronder achtereenvolgens de klachtonderdelen behandelen waartegen in de hoger beroepen gronden zijn aangevoerd. Hierbij volgt het College de volgorde die de accountantskamer in haar uitspraak heeft aangehouden. Na de klachtonderdelen a.1 tot en met a.7 (behoudens a.3 omdat geen van de partijen daartegen gronden heeft aangevoerd) zal het College ingaan op de vraag of [naam 3] goedkeurende verklaringen had mogen afgeven bij de jaarrekeningen 2012, 2013 en 2014. Daarna zullen de klachtonderdelen b en c worden besproken en ten slotte de door de accountantskamer aan [naam 3] opgelegde maatregel.
3.2
Per klachtonderdeel zal het College (kort) de overwegingen en het oordeel van de accountantskamer weergeven, indien nodig het wettelijk kader en de standpunten van partijen. Het College merkt daarbij op dat partijen hun standpunten zowel in hun hoger beroepen als in de eerdere procedure(s) schriftelijk zeer uitvoerig hebben toegelicht. Voor de leesbaarheid en voor zover nodig voor de uitspraak, volstaat het College met een beknopte weergave van wat tegen de uitspraak van de accountantskamer is aangevoerd.
Klachtonderdeel a.1 de memoriaalboekingen
4.1
Dit klachtonderdeel heeft betrekking op de controle van de memoriaalboekingen bij [naam 6] . De accountantskamer heeft geoordeeld dat dit klachtonderdeel gegrond is. Zij heeft daartoe het volgende overwogen (waarbij – ook in de verder nog te citeren overwegingen –voor ‘betrokkene’ [naam 3] moet worden gelezen en voor ‘klagers’ de curator):
“4.4.4. De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene zich bij de controle van de memoriaalboekingen bij [naam 6] heeft gebaseerd op de Excellijst die, naar zeggen van betrokkene, [naam 11] [de controller van [naam 6] ; toevoeging CBb] aan [naam 12] [lid van het controleteam van [naam 3] ; toevoeging CBb] heeft overhandigd. Betrokkene en zijn medewerkers hebben die niet afgestemd met de journaalposten in het Exact-grootboek van [naam 6] . Dit had gezien het in Standaard 240.33 (destijds 240.32) neergelegde uitgangspunt wel gemoeten. In de controle is niet vastgesteld dat de Excellijst volledig was, derhalve alle memoriaalboekingen van de jaarafsluiting bevatte die in het grootboek waren verwerkt. Dit had te meer gemoeten nu sprake was van een geïdentificeerd risico op management override. De Accountantskamer tekent hierbij aan dat indien betrokkene wel inzage had verkregen in de in het grootboek vastgelegde journaalposten, hij had kunnen vaststellen dat daarin, naast P13, ook nog een P14 bestond waarin ook memoriaalboekingen waren opgenomen. Doordat hij hiervan geen kennis heeft genomen, heeft geen controle plaatsgevonden van de memoriaalboekingen in P14. Betrokkene heeft ten aanzien van de controle van de memoriaalboekingen Standaard 240.33 (destijds 240.32) niet gevolgd. Klagers hebben gesteld dat betrokkene de memoriaalboekingen in de boekjaren 2012 en 2013 op dezelfde wijze als de memoriaalboekingen in het boekjaar 2014 heeft gecontroleerd, wat betrokkene niet heeft betwist. De conclusie is dat betrokkene op dit onderdeel van de controle heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.”
4.2
[naam 3] is het hiermee niet eens en voert aan dat hij mocht uitgaan van de aan het controleteam overlegde Excellijst met memoriaalboekingen. Als al sprake zou zijn van fraude dan wordt dit vaak opzettelijk en zorgvuldig buiten het zicht van een accountant gehouden. [naam 3] verwijst naar Standaard 240.6, 240.7 en 240.14 en rechtspraak van de accountantskamer en het College, waaruit volgt dat fraude nog niet betekent dat de accountant tuchtrechtelijk laakbaar zou hebben gehandeld. Het is [naam 3] ook nog steeds niet duidelijk, ondanks de verklaring van [naam 10] , dat fraude zou zijn gepleegd en waarin dit dan zou zitten. Hij had ten tijde van de controle geen indicaties van mogelijke fraude, zodat er ook geen aanleiding was voor een nader onderzoek conform Standaard 240. Wat betreft de boekingen in P14 stelt [naam 3] dat de accountantskamer ten onrechte ervan uitgaat dat sprake zou zijn van boekingen in P14 die van belang waren voor de controle. De memoriaalboekingen in P14 zijn geen correctieboekingen voor het boekjaar 2014 en hebben dus ook geen invloed op het boekjaar 2014. Het betrof alleen boekingen voor het klaarzetten van de beginbalans voor het boekjaar 2015.
4.3
De curator voert aan dat de accountantskamer de klacht terecht gegrond heeft verklaard. [naam 3] heeft alleen de Excellijst met memoriaalboekingen gecontroleerd en daarvan heeft [naam 10] erkend dat de frauduleuze boekingen hieruit waren verwijderd. Er is dan ook niet geknoeid met de vastlegging in de originele of authentieke boekhouding of brondocumenten, maar met de Excellijst. Op grond van Standaard 500.9 moest [naam 3] evalueren of de Excellijst voldoende betrouwbaar was en dat heeft hij nagelaten. De curator verwijst naar uitspraken van de accountantskamer en het College. Zonder de vaststelling dat de Excellijst overeenkomt met Exact is dit geen afdoende controle-informatie. Dat sprake was van een waterdichte procedure, zoals [naam 3] betoogt, is onjuist.
4.4
Standaard 240 behandelt onder meer de verantwoordelijkheden van een accountant met betrekking tot fraude in het kader van een controle van financiële overzichten. Een accountant die een controle overeenkomstig de Standaarden uitvoert, is verantwoordelijk voor het verkrijgen van een redelijke mate van zekerheid dat de financiële overzichten als geheel geen afwijkingen van materieel belang bevatten die het gevolg zijn van fraude of fouten (Standaard 240.5). Overeenkomstig Standaard 200 dient de accountant gedurende de gehele controle een professioneel-kritische instelling te handhaven, rekening houdend met de mogelijkheid van een afwijking van materieel belang die het gevolg is van fraude (Standaard 240.13).
4.5
Uit stukken uit het controledossier blijkt dat het controleteam op 11 juni 2015 van [naam 11] , de controller van [naam 6] , een Excellijst heeft ontvangen van de memoriaalboekingen van P13 van 2014. De curator betwist dit niet. Volgens Standaard 240.14 mag een accountant de vastleggingen en documenten als authentiek aanvaarden, tenzij hij aanwijzingen heeft om het tegendeel te veronderstellen. [naam 3] is ervan uitgegaan dat het betreffende lid van het controleteam een authentieke uitdraai kreeg uit Exact en dat dit document volledig was. Volgens [naam 3] is het een standaard werkwijze dat een lid van het controleteam aanwezig is bij het uitdraaien van de Excellijsten. Daarom is dat ook niet expliciet vermeld in het controledossier. Er waren volgens [naam 3] geen aanwijzingen dat deze lijst niet authentiek was. Het College volgt [naam 3] in dit betoog. Naar het oordeel van het College waren er voor [naam 3] ten tijde van de controle van de jaarrekening geen aanwijzingen dat sprake was van fraude. Hierbij neemt het College het volgende in aanmerking.
4.6
Dat achteraf is gebleken dat fraude heeft plaatsgevonden, betekent niet dat er voor [naam 3] op het moment van de controle fraudesignalen waren en ook niet dat hij de voor hem geldende beroeps- en gedragsregels heeft geschonden door de fraude niet te ontdekken. Volgens [naam 3] waren er op het moment van de controle geen frauderisico’s aanwezig. De curator heeft dit ook niet betwist. Alleen al daarom is de door de curator genoemde uitspraak van het College van 19 april 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:137) hier niet van toepassing.
4.7
Anders dan de curator betoogt, biedt ook de verklaring van [naam 10] van 16 augustus 2019, aangevuld op 30 juli 2020, onvoldoende aanknopingspunten voor de aanwezigheid van fraudesignalen op het moment van de controle. Uit deze verklaring blijkt namelijk niet duidelijk hoe de fraude is gepleegd en of het [naam 3] reeds ten tijde van de controle duidelijk had moeten of kunnen zijn dat er memoriaalboekingen waren verwijderd uit de lijst. Hierbij merkt het College op dat uit de stukken blijkt dat het ging om het verwijderen van 25 memoriaalboekingen uit de Excellijst op een totaal van ruim 12.500 memoriaalboekingen.
4.8
Gelet op het voorgaande mocht [naam 3] de Excellijsten als authentiek aanvaarden en gebruiken voor de controle van de memoriaalboekingen.
4.9
[naam 3] heeft vervolgens getoetst of de in de Excellijst opgenomen memoriaalboekingen aanvaardbaar zijn. Hiermee is ook voldaan aan Standaard 240.33 (voorheen 240.32), waaruit volgt dat de accountant controlewerkzaamheden dient op te zetten en uit te voeren om te toetsen of de in het grootboek vastgelegde journaalposten en andere aanpassingen die tijdens het opstellen van de financiële overzichten zijn aangebracht aanvaardbaar zijn. Dat achteraf gebleken is dat deze lijst niet volledig was, maakt dat niet anders.
4.1
Ook het betoog van de curator dat [naam 3] zich niet heeft gehouden aan Standaard 500.9 volgt het College niet. Gelet op de hierboven genoemde werkwijze, heeft hij ervan kunnen uitgaan dat de Excellijst voldoende betrouwbaar was om de memoriaalboekingen in P13 van 2014 te controleren.
4.11
Wat betreft de memoriaalboekingen in P14 van 2014 is tussen partijen niet in geschil dat [naam 3] deze boekingen niet heeft gezien en gecontroleerd. Anders dan de accountantskamer volgt het College [naam 3] in zijn betoog dat hij geen aanleiding had om ervan uit te gaan dat op het moment van het uitdraaien van de Excellijst ook memoriaalboekingen waren gedaan in P14 die hij bij de controle had moeten betrekken. Zowel in 2012 als in 2013 betroffen de memoriaalboekingen alleen boekingen ten behoeve van het klaarzetten van de beginbalans voor het volgende boekjaar. Deze boekingen hebben dus geen invloed op het lopende boekjaar en hoefden om die reden dan ook niet betrokken te worden in de controle. [naam 3] had geen aanleiding om te veronderstellen dat voor het boekjaar 2014 wel correctieboekingen in P14 zouden worden geboekt. Daar komt bij dat de memoriaalboekingen van P14 van 2013 nog niet waren geboekt ten tijde van de controlewerkzaamheden voor de jaarrekening 2013. Het was in zoverre dan ook niet opmerkelijk dat er in de uitgedraaide Excellijst geen boekingen stonden in P14 van 2014.
4.12
Gelet op het voorgaande heeft [naam 3] voor wat betreft de memoriaalboekingen niet gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. De hogerberoepsgrond van [naam 3] slaagt. Klachtonderdeel a.1 is ten onrechte gegrond verklaard.
Klachtonderdeel a.2 de filiaalvoorraad
5.1
Dit klachtonderdeel heeft volgens de uitspraak van de accountantskamer zowel betrekking op de risico-inschatting bij de gekozen controle-aanpak van de filiaalvoorraad als op de controle van de waardering van de filiaalvoorraad bij [naam 6] . Partijen hebben tegen deze omschrijving van het klachtonderdeel geen gronden aangevoerd. Het College gaat dan ook uit van deze omschrijving.
5.2
De accountantskamer heeft het klachtonderdeel wat betreft de risico-inschatting bij de gekozen controle-aanpak van de filiaalvoorraad ongegrond verklaard. De curator heeft hiertegen geen gronden aangevoerd, zodat dit onderdeel niet (meer) besproken hoeft te worden.
5.3
Wat betreft de controle van de waardering van de voorraad heeft de accountantskamer het volgende overwogen:
“4.5.5. De Accountantskamer stelt voor wat betreft de controle van de daadwerkelijke waardering van de filiaalvoorraad bij [naam 6] vast, dat de bepaling van het juiste niveau van de voorraad cruciaal is voor een deugdelijke analyse van het verloop hiervan. Uit de stukken blijkt weliswaar dat betrokkene zich een oordeel heeft gevormd over de wijze waarop tellingen op filiaalniveau plaatsvonden, maar gebleken is dat betrokkene per ultimo 2014 niet beschikte over een specificatie van de voorraad (per artikelsoort) per filiaal van [naam 6] . Een dergelijk overzicht was essentieel voor een goede analyse van de gehele voorraad. Ook kon zonder overzicht per filiaal niet worden vastgesteld of sprake was van filialen met een qua omvang opmerkelijke voorraad of van "filialen" waar geen detailshandelsverkoop plaatsvond. Verder is niet duidelijk geworden op welke wijze betrokkene rekening heeft gehouden met de teruggang van het aantal filialen, van 128 per ultimo 2013 naar 70 per ultimo 2014, en van de betekenis hiervan voor de omvang van de voorraad. Uit de overgelegde stukken blijkt niet wat de gevolgen voor de filiaalvoorraad zijn van de overdracht van filialen aan franchisenemers. Dit klemt te meer nu per ultimo 2014 sprake was van een gemiddelde voorraadtoename per filiaal van meer dan 50%, een gemiddelde voorraad die ook aanzienlijk hoger was dan de voorraad bij de drie filialen waar het controleteam zelf heeft geteld. Betrokkene had hiernaar, mede gezien de eerdere risico-inschatting in verband met het afstoten van winkels naar franchisenemers, onderzoek moeten verrichten. De Accountantskamer stelt vast dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat sprake is geweest van deugdelijke cijferanalyses van de ontwikkeling van de filiaalvoorraad. Betrokkene heeft in zoverre, in strijd met Standaard 500.6 wat betreft het boekjaar 2014 niet voldoende en geschikte controle-informatie verkregen. Of dat ten aanzien van de andere boekjaren ook heeft gespeeld, is gesteld noch gebleken. Hij heeft daarmee in ieder geval voor het boekjaar 2014 gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.”
5.4
[naam 3] heeft gesteld dat hij niet over een specificatie van de voorraad per filiaal kon beschikken, omdat het kassasysteem waarin vanaf 2014 de voorraad werd verwerkt en bijgehouden (ASPOS), deze mogelijkheid niet bood. Hij heeft ook geen gebruik willen maken van de lijsten die uit Exact konden worden gegenereerd, omdat de voorraad daarin niet automatisch, maar handmatig werd bijgehouden, waardoor de stand van de voorraad niet betrouwbaar was. Bovendien werd in Exact de voorraad niet gespecificeerd. [naam 3] heeft er om die redenen voor gekozen om de controlewerkzaamheden anders te organiseren. Volgens [naam 3] beschikte [naam 6] over een sterke inventarisatieprocedure. [naam 3] heeft de werking van deze procedure, waarbij de voorraad van ieder filiaal minimaal een keer per jaar partieel roulerend werd geïnventariseerd, systeemgericht gecontroleerd. Daarbij zijn steekproeven verricht bij drie willekeurige filialen. Uit deze steekproeven zijn volgens [naam 3] geen noemenswaardige verschillen geconstateerd tussen de door het filiaal getelde voorraad en de door het controleteam getelde voorraad. Aan de hand hiervan heeft [naam 3] geconcludeerd dat er een inventarisatieprocedure was, dat de opzet hiervan goed was en dat die adequaat werd toegepast. Er bleken volgens [naam 3] geen materiële voorraadverschillen voor alle filialen samen. Hierbij is het voorraadsysteem aangesloten op de financiële administratie, wat onder meer blijkt uit de lekkagerapporten bij de inventarisatieverslagen. Vervolgens heeft [naam 3] de goederenbeweging gecontroleerd en omzet- en margevergelijkingen uitgevoerd per productsoort per filiaal. Dit laat het verband zien tussen de beginvoorraad 2014, vermeerderd met de inkopen en verminderd met de verkopen. Deze eindvoorraad is vergeleken met de voorraadpositie in Exact. Hieruit kwamen volgens [naam 3] geen materiële verschillen. Ten slotte heeft [naam 3] nog een vergelijking gemaakt op filiaalniveau waarbij de omzet en marge zijn vergeleken met het voorgaande jaar. Hierbij is rekening gehouden met de teruggang van het aantal filialen en de gevolgen daarvan.
5.5
Standaard 500.6 bepaalt dat de accountant controlewerkzaamheden moet opzetten en uitvoeren die in de omstandigheden geschikt zijn om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen. Het College stelt op grond van de door [naam 3] overgelegde stukken vast dat controlewerkzaamheden zijn verricht voor wat betreft de voorraad. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de controlewerkzaamheden zoals die door [naam 3] zijn uitgevoerd, in deze situatie niet geschikt zouden zijn om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen. Anders dan de accountantskamer heeft overwogen, was een specificatie van de voorraad per filiaal niet essentieel voor een goede analyse van de gehele voorraad. Hierbij neemt het College mee dat het voor de jaarrekening niet ging om de voorraad per filiaal, maar om de totale voorraad van [naam 6] . Het College volgt [naam 3] in zijn betoog dat de controleaanpak zoals door hem is uitgevoerd in dit geval mogelijk was, omdat de voorraad een laagrisicopost was en [naam 6] over een sterke inventarisatieprocedure beschikte.
5.6
Anders dan de accountantskamer heeft geconcludeerd, heeft [naam 3] , gelet op het voorgaande, wat betreft het boekjaar 2014 niet gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. De hogerberoepsgrond van [naam 3] slaagt. Klachtonderdeel a.2 is wat betreft de controle van de waardering van de voorraad in 2014 ten onrechte gegrond verklaard.
5.7
De curator heeft in zijn hoger beroep nog aangevoerd dat de accountantskamer de klacht wat betreft de controle van de waardering van de voorraad voor de boekjaren 2012 en 2013 ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Het College volgt de curator hierin niet. In 2012 en 2013 had [naam 3] de beschikking over specificaties van de voorraad per filiaal uit DistRetail. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de controlewerkzaamheden van de voorraad in 2012 en 2013 onvoldoende dan wel niet geschikt waren. De hogerberoepsgrond van de curator slaagt niet.
Klachtonderdeel a.4 de liquide middelen
6.1
Dit klachtonderdeel heeft volgens de uitspraak van de accountantskamer betrekking op drie te onderscheiden onderdelen van de controle van de liquide middelen van [naam 6] , namelijk: de controle van het kasgeld; de openstaande pinbetalingen en bankstortingen; en de overige waardebonnen. Het College stelt vast dat er geen gronden zijn gericht tegen het oordeel van de accountantskamer dat ziet op de controle van de pinbetalingen en bankstortingen, behoudens de hogerberoepsgrond van de curator dat het klachtonderdeel ook voor wat betreft de jaren 2012 en 2013 gegrond had moeten worden verklaard. Deze hogerberoepsgrond zal wat betreft alle klachtonderdelen van de liquide middelen hieronder worden behandeld na de beoordeling van de controle van het kasgeld en de overige waardebonnen.
Kasgeld
6.2
De accountantskamer heeft wat betreft de controle van het kasgeld het volgende overwogen:
“4.7.3. Ten aanzien van de controle van kasgeld heeft betrokkene aangegeven dat de kassaprocedures deels systeemgericht zijn gecontroleerd. Daarnaast zijn voor 2014 de specificaties van de kastelling voor twee filialen opgevraagd. Geconstateerd is dat deze specificaties aansloten op de centrale administratie.
De Accountantskamer stelt vast dat de totale hoeveelheid kasgeld bij [naam 6] eind 2014 (afgerond) € 478.000 bedroeg. Eind 2013 bedroeg de totale hoeveelheid kasgeld bij [naam 6] (afgerond) € 649.000. De hoeveelheid kasgeld was in 2014 weliswaar afgenomen ten opzichte van 2013, maar rekening houdend met de afname van het aantal filialen van 128 (ultimo 2013) naar 70, was sprake van een toename van de hoeveelheid kasgeld per filiaal van afgerond 35%. Immers, ultimo 2013 was sprake van € 649.000 aan kasgeld bij 128 filialen; dat is € 5.070 per filiaal. Ultimo 2014 was sprake van € 478.000 aan kasgeld bij 70 filialen; dat is € 6.829 per filiaal. De stijging van € 5.070 naar € 6.829 bedraagt afgerond 35%. Een dergelijke toename van de hoeveelheid kasgeld per filiaal is opmerkelijk. Zeker nu de totale hoeveelheid kasgeld boven de voor [naam 6] gehanteerde uitvoeringsmaterialiteit lag, had het op de weg van betrokkene gelegen om hiernaar nader onderzoek te verrichten. Betrokkene heeft door dit niet te doen gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.”
6.3
[naam 3] voert aan dat ook hier geldt dat een controle van een jaarrekening is gericht op de totale post liquide middelen, die behalve kasgeld uit nog meer onderdelen bestaat, en niet op filiaalniveau. Het kasgeld is uitvoerig gecontroleerd. Voor een extra controlestap, namelijk dat de berekening van het gemiddelde kasgeld per filiaal aanleiding had moeten zijn voor nader onderzoek, is in de regelgeving geen grondslag. Daarnaast geldt ook hier dat een gemiddelde van het kasgeld per filiaal op één moment zich niet laat vergelijken met een gemiddelde over het vorige boekjaar.
6.4
Het College volgt [naam 3] in zijn betoog dat de gemiddelde hoeveelheid kasgeld per filiaal op een bepaald moment niet vergelijkbaar is met de gemiddelde hoeveelheid kasgeld op een ander moment. De hoeveelheid kasgeld fluctueert gedurende een jaar of een bepaalde periode en er is geen sprake van gelijkwaardige filialen. Daarbij komt dat het aantal filialen in 2014 is afgenomen, waardoor vergelijking van de gemiddelde hoeveelheid kasgeld per filiaal niet betrouwbaar is. Anders dan de accountantskamer concludeert, had de toename van de hoeveelheid kasgeld per filiaal dan ook geen reden hoeven zijn voor [naam 3] om nader onderzoek te verrichten.
6.5
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of [naam 3] voldoende controlewerkzaamheden heeft verricht wat betreft de hoeveelheid kasgeld. [naam 3] heeft op dat punt uiteengezet dat hij de hoeveelheid kasgeld zowel systeemgericht als gegevensgericht heeft gecontroleerd. [naam 6] beschikte volgens [naam 3] over een sterke en consistente wijze van kasgeldtelling door het jaar heen en voor de jaren 2012 en 2013 is een proceduretest uitgevoerd naar de administratieve organisatie en interne beheersing van de kasgeldtelling. Voor het jaar 2014 is vastgesteld dat deze hetzelfde is gebleven. Daarnaast heeft [naam 3] voor 2014 specificaties opgevraagd van de kastelling van twee filialen. Deze specificaties sloten aan op de centrale administratie.
6.6
Zowel uit de specificatie F-110 kasgeld per filiaal als uit de workpaper kas en banken volgt dat de totale hoeveelheid kasgeld € 478.367,- bedroeg. Hier is de accountantskamer ook van uitgegaan. Dit bedrag sluit aan op de saldibalans en is tussen partijen ook niet in geschil. Volgens specificatie F-110 bestaat de hoeveelheid kasgeld onder andere uit een boeking op post 0317 filialen algemeen van € 100.000,-. [naam 3] beschikte niet over deze specificatie zodat hij deze boeking op post 0317 niet heeft gecontroleerd. Het is dan ook onduidelijk hoe hij kon vaststellen dat de hoeveelheid kasgeld overeenkwam terwijl een groot deel daarvan bestond uit kasgeld dat niet aan een filiaal was toe te rekenen. Omdat de totale hoeveelheid kasgeld boven de uitvoeringsmaterialiteit van [naam 6] lag, had [naam 3] meer onderzoek moeten verrichten dan de controle van twee filialen en had hij moeten beschikken over de specificatie F-110 waarop het kasgeld per filiaal stond. Als hij deze specificatie zou hebben gehad, dan zou de boeking van € 100.000,- op de post 0317 filialen algemeen hem moeten zijn opgevallen. [naam 3] heeft niet duidelijk gemaakt waarom hij niet over deze lijst beschikte.
6.7
De hogerberoepsgrond van [naam 3] slaagt niet. Klachtonderdeel a.4 is wat betreft het kasgeld terecht gegrond verklaard.
Saldo overige waardebonnen
6.8
Wat betreft de controle van het saldo overige waardebonnen op de saldibalans 2014 van [naam 6] blijkt uit de overgelegde stukken dat het bij deze post vermelde saldo is gestegen van € 65.801,- eind 2013 naar € 594.560,- eind 2014. Hierin was opgenomen een post van € 326.065,- inzake de afwikkeling van een vaststellingsovereenkomst met Trivento Groupe LFE.
6.9
De accountantskamer heeft hierover het volgende overwogen:
“4.7.10. De Accountantskamer stelt voorop dat het enkele gegeven dat een post beneden de
uitvoeringsmaterialiteit ligt op zichzelf genomen niet reeds betekent dat hieraan bij een controle
geen aandacht hoeft te worden besteed. Dit is vooral zo wanneer sprake is van een bijzondere
post, zeker wanneer deze op een onjuiste plek is gepresenteerd. De Accountantskamer is van
oordeel dat een vaststellingsovereenkomst, zoals de overeenkomst met Trivento, naar zijn aard
een bijzondere post is waaraan voldoende aandacht had moeten worden besteed. Het had onder
deze omstandigheden op de weg van betrokkene gelegen om onderzoek te doen naar het bestaan van de vordering en waar deze overeenkomst betrekking op had. Dat heeft betrokkene niet gedaan. Betrokkene heeft daarmee gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.”
6.1
[naam 3] voert aan dat hij wel onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van de vordering en de vaststellingsovereenkomst. Het management heeft aangegeven dat [naam 6] een minnelijke regeling had getroffen met Trivento, wat is vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst. Dit is ook vastgelegd in het controledossier. De curator betwist dat enige controle heeft plaatsgevonden.
6.11
In het workpaper kas en banken staan de onder 6.8 genoemde bedragen. Bij de post overige waardebonnen is vervolgens verwezen naar ‘ref. 20.002’, specificatie waardebonnen. In deze specificatie staat kort weergegeven wat de stand van zaken is ultimo 2014 wat betreft de overeenkomst met Trivento. Er wordt onder andere vermeld dat in een vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat Trivento een betaling aan [naam 6] en extra investeringen zal doen. In de specificatie is ook een opmerking opgenomen van een medewerker van het controleteam van [naam 3] . Hoewel [naam 3] de vaststellingsovereenkomst zelf niet heeft gezien, blijkt hieruit voldoende dat een lid van het controleteam deze overeenkomst wel heeft gezien. Dit wijst erop dat onderzoek is gedaan naar het bestaan van de overeenkomst en waar de overeenkomst betrekking op had. Daarnaast is het bedrag van de vordering gecontroleerd. Dat deze vordering is opgenomen op grootboekrekening ‘1441 overige waardebonnen’, waar deze eigenlijk niet thuishoorde, maakt het voorgaande niet anders en is hier niet van belang. De vordering is voldoende gecontroleerd. Anders dan de accountantskamer heeft geoordeeld, heeft [naam 3] op dit punt dan ook niet gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.
6.12
De hogerberoepsgrond van [naam 3] slaagt. Klachtonderdeel a.4 is wat betreft de post overige waardebonnen ten onrechte gegrond verklaard.
Liquide middelen boekjaren 2012 en 2013
6.13
Wat betreft de hoger beroepsgrond van de curator over de controle van de liquide middelen over boekjaren 2012 en 2013, ziet het College geen aanleiding anders te oordelen dan de accountantskamer heeft gedaan, namelijk dat de controle over deze boekjaren niet kan worden beoordeeld. Over de jaren 2012 en 2013 zijn te weinig gegevens bekend. De enkele stelling van de curator dat de controle van de liquide middelen over deze jaren op dezelfde wijze is gegaan als in 2014, is onvoldoende onderbouwing en deze stelling is ook gemotiveerd betwist door [naam 3] . Voor zover de curator in zijn hoger beroep heeft aangevoerd dat de consequenties van het niet verstrekken van de gegevens door [naam 3] / [naam 9] niet voor rekening van de curator mogen komen, stelt het College vast dat in het klaagschrift niet specifiek is geklaagd – noch bij klachtonderdeel a.4 over de controle van de liquide middelen, noch bij klachtonderdeel c. over de weigering om (delen uit) de controledossiers te verstrekken – over het niet verstrekken van de gegevens over de controle van de liquide middelen voor de boekjaren 2012 en 2013. Dit betoog van de curator is dan ook niet te herleiden tot de oorspronkelijke klacht. Het is niet toegestaan een klacht in hoger beroep uit te breiden zodat dit betoog buiten bespreking moet blijven.
6.14
De hogerberoepsgrond van de curator slaagt niet.
Klachtonderdeel a.5 crediteuren en overlopende passiva
7.1
Volgens de uitspraak van de accountantskamer heeft dit klachtonderdeel betrekking op de balanspost totaal handelscrediteuren, waarvan grootboekrekening ‘1493 Transitie [naam 15] ’ deel uitmaakt, en op de balanspost totaal overlopende passiva waarvan grootboekrekening ‘1694 Nog te betalen kosten’ deel uitmaakt. Deze posten hebben betrekking op de onderlinge verhouding tussen [naam 6] en [naam 14] B.V. ( [naam 14] ). [naam 14] is een dochtermaatschappij van [naam 15] Holland Trading Group B.V. ( [naam 15] ).
7.2
De accountantskamer heeft over dit klachtonderdeel het volgende overwogen:
“4.8.5. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene het bestaan van de onderlinge verhouding tussen [naam 6] en [naam 14] , de wijze waarop schulden en vorderingen onderling verrekend werden en het gebruik van de grootboekrekening 1493 en grootboekrekening 1694 voldoende heeft toegelicht. De aanduiding "Transitie [naam 15] " bij grootboekrekening 1493 hoefde voor betrokkene geen aanleiding te vormen voor twijfel of deze aanduiding betrekking heeft op de onderlinge verhouding met [naam 14] . In dit verband is van belang dat in de op 27 juni 2014 gesloten distributieovereenkomst, waarvan betrokkene kennis heeft genomen, verwezen wordt naar de al langer bestaande samenwerking tussen [naam 2] en [naam 15] . De aanduiding bij grootboekrekening 1493 was onder deze omstandigheden niet vreemd.
4.8.6.
De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene voor wat betreft de hoogte van de vordering van [naam 6] op [naam 14] , van € 2.460.525,85, niet zondermeer had mogen afgaan op de gegevens zoals vermeld in ASPOS. Betrokkene had hiernaar aanvullende controlewerkzaamheden
moeten verrichten. Er was immers sprake van een nieuwe overeenkomst waaruit onder meer vorderingen van [naam 6] op [naam 14] voortvloeiden. Deze vorderingen zijn in het tweede halfjaar van
2014 als afgeronde bedragen geboekt, er is niet gebleken van een finale afrekening met [naam 14] en
de vordering was ten tijde van afronding van de controle nog niet voldaan. Betrokkene heeft, door geen aanvullende controlewerkzaamheden te verrichten, onvoldoende controle-informatie verkregen over de hoogte van deze vordering. Hij heeft gehandeld in strijd met Standaard 500.6 en daarmee in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.”
7.3
Het College stelt vast dat [naam 3] tegen het oordeel van de accountantskamer in 4.8.6. van de bestreden uitspraak geen gronden heeft aangevoerd, zodat de hoogte van de vorderingen van [naam 6] op [naam 14] en het onderzoek dat [naam 3] op dat punt heeft verricht, geen bespreking behoeven.
7.4
De curator heeft in hoger beroep tegen het oordeel van de accountantskamer in 4.8.5 van de bestreden uitspraak aangevoerd dat de accountantskamer daarin ten onrechte is voorbijgegaan aan wat de curator in het klaagschrift heeft gesteld over het in grootboekrekening 1694 genoemde “debet bedrag ad € 1.146.591,47”. Het daarop ziende klachtonderdeel is ten onrechte ongegrond verklaard op basis van een niet onderbouwde en door de curator betwiste toelichting van [naam 3] . Volgens de curator biedt de door [naam 3] overgelegde controledocumentatie geen enkel aanknopingspunt voor zijn stellingen over de planning, uitvoering en uitkomsten van de controle op dit punt.
7.5
Het College ziet in wat de curator heeft aangevoerd geen aanleiding om het oordeel van de accountantskamer dat [naam 3] het gebruik van grootboekrekening 1694 voldoende heeft toegelicht, onjuist te achten. De curator heeft geen nieuwe argumenten aangevoerd waarom dit oordeel van de accountantskamer niet juist zou zijn. [naam 3] heeft bij de accountantskamer betoogd dat hij de specificatie van grootboekrekening 1694 heeft opgevraagd, aan de hand van bankafschriften heeft vastgesteld dat deze betalingen voor jaareinde waren uitgevoerd, middels een deelwaarneming heeft vastgesteld dat de betreffende facturen daadwerkelijk in de crediteurenadministratie waren opgenomen en ook voor de grootste overige post ‘nog te betalen kosten’ een specificatie heeft opgevraagd en beoordeeld. Hij heeft vervolgens de specificatie en betreffende bankafschriften overgelegd bij zijn verweerschrift. Anders dan de curator heeft aangevoerd, is er dan ook geen grondslag voor het oordeel dat de accountantskamer voorbijgegaan zou zijn aan grootboekrekening 1694.
7.6
De hogerberoepsgrond van de curator slaagt niet. Klachtonderdeel a.5 is terecht deels ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel a.6 de beoordeling van de consolidatie
8.1
Dit klachtonderdeel ziet op de vraag of (1) [naam 3] terecht niet heeft beoordeeld of op het niveau van [naam 7] Beheer had moeten worden geconsolideerd en (2) of hij voldoende inzicht heeft verkregen in de omgeving en de financiering van de [naam 2] -groep. Het College stelt vast dat er geen gronden zijn gericht tegen het oordeel van de accountantskamer over het eerste gedeelte van dit klachtonderdeel, te weten dat de fundamentele beginselen zich er niet tegen verzetten dat een externe accountant een opdracht aanvaardt voor de controle van de (geconsolideerde) jaarrekening van een groep die zelf deel uitmaakt van een andere groep, en dat [naam 3] door de opdracht te aanvaarden voor de controle van de jaarrekening(en) van [naam 2] dan ook niet heeft gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel.
8.2
Wat betreft het tweede gedeelte van dit klachtonderdeel, heeft de accountantskamer het volgende overwogen:
“4.9.4. De Accountantskamer overweegt verder dat Standaard 600.17, voor zover hier van belang, bepaalt dat de accountant de risico's op een afwijking van materieel belang identificeert en inschat door inzicht te verwerven in de entiteit en haar omgeving. Dit was hier in het bijzonder van belang omdat de onderlinge verwevenheid tussen [naam 2] en [naam 7] Beheer groot was. Zo was sprake van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, was [naam 16] bestuurder van zowel [naam 2] als van [naam 7] Beheer en was sprake van onderlinge financiële vervlechting. In deze omstandigheden is het belangrijk een adequate analyse uit te voeren van de omvang en samenstelling van de groepsentiteiten, en van de onderlinge transacties en verhoudingen. Dit is mede van belang om het risico te onderkennen dat in een dergelijke situatie de opdrachtgever de controleopdracht vanuit financiële motieven beperkt tot een bepaald deel van de vennootschappen om daarmee het financiële plaatje rooskleuriger voor te stellen dan het is. De Accountantskamer is van oordeel dat uit het controledossier in onvoldoende mate blijkt dat betrokkene het vereiste inzicht heeft verworven in de entiteit en haar omgeving. Dat betrokkene, naar hij ter zitting heeft verklaard, de onderlinge verhoudingen tussen [naam 2] en [naam 7] Beheer bij de opdrachtaanvaarding besproken heeft met het management van [naam 2] is hiervoor op zichzelf genomen onvoldoende. Het had op de weg van betrokkene gelegen om zijn overwegingen op dit punt en een beoordeling van het risico op een afwijking van materieel belang in verband met deze onderlinge verwevenheid vast te leggen in het controledossier. Betrokkene heeft door dit niet te doen gehandeld in strijd met Standaard 600.17.
4.9.5.
De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene door zijn overwegingen op dit punt niet deugdelijk vast te leggen tevens heeft gehandeld in strijd met Standaard 230.8 dat, voor zover hier van belang, bepaalt dat de accountant de controledocumentatie zo dient op te stellen dat die voldoende is om een ervaren accountant die niet eerder bij de controle betrokken was, in staat te stellen inzicht te verwerven in:
a. de aard, timing en omvang van de controlewerkzaamheden die zijn uitgevoerd overeenkomstig de Standaarden en de van toepassing zijnde door wet- en regelgeving geldende vereisten;
b. de uitkomsten van de uitgevoerde controlewerkzaamheden, alsmede de verkregen controle-informatie; en
c. significante aangelegenheden die tijdens de controle aan de orde zijn gekomen, de daaruit getrokken conclusies en significante professionele oordeelsvormingen die tot de conclusies hebben geleid.
In dit verband is van belang dat in Standaard 230.6, onder a, is bepaald dat voor de toepassing van de Standaarden onder controledocumentatie wordt verstaan: "De vastlegging van de uitgevoerde controlewerkzaamheden, de verkregen relevante controle-informatie en de conclusies die de accountant heeft getrokken". Het had op de weg van betrokkene gelegen om de controledocumentatie zo op stellen dat hiermee het in Standaard 230.8 vereiste inzicht kon
worden verkregen.
4.9.6.
Betrokkene heeft, doordat hij tekort is geschoten in het naleven van de Standaarden 600.17 en 230.8, gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.”
8.2
[naam 3] voert aan dat de accountantskamer het vereiste inzicht in de entiteit en haar omgeving ten onrechte als klachtonderdeel heeft opgevat en vervolgens niet op juiste wijze tot een gegrondverklaring is gekomen. [naam 3] heeft het vereiste inzicht opgevat als grondslag voor het verwijt dat hij de opdracht tot het controleren van de jaarrekening van de [naam 2] -groep niet had mogen aanvaarden, omdat er ook vennootschappen boven [naam 2] waren.
8.3
Het College volgt [naam 3] hierin niet. In het klaagschrift staat onder 1.12.4 als apart onderdeel vermeld dat [naam 3] volgens de curator onvoldoende inzicht heeft verworven in de [naam 2] -groep, haar onderdelen en hun omgevingen en de wijze van structurering en financiering. Daarmee is dit klachtonderdeel onderscheiden van het klachtonderdeel over de beoordeling van de consolidatieplicht op het niveau van [naam 7] Beheer, dat wordt genoemd onder 1.12.5 van het klaagschrift.
8.4
Het College volgt [naam 3] ook niet in zijn betoog dat de accountantskamer dit gedeelte van het klachtonderdeel ten onrechte gegrond heeft verklaard. Hoewel [naam 3] bij zijn hoger beroepschrift meer stukken heeft overgelegd die zien op de groep en haar omgeving en financiering, blijkt hieruit niet of deze stukken reeds op de controledatum in het controledossier zaten en of [naam 3] iets met deze stukken heeft gedaan. Op de zitting van het College heeft [naam 3] hierover ook geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Op het moment van de controle van de jaarrekeningen was dan ook niet duidelijk of [naam 3] het vereiste inzicht had.
8.5
De hogerberoepsgrond van [naam 3] slaagt niet. Klachtonderdeel a.6 is terecht gegrond verklaard wat betreft het gedeelte van de klacht dat ziet op de vraag of [naam 3] voldoende inzicht heeft verkregen in de omgeving en de financiering van de [naam 2] Groep.
8.6
De curator heeft in zijn hoger beroep nog aangevoerd dat de accountantskamer ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen de boekjaren 2012, 2013 en 2014, dan wel dat onduidelijk is voor welke boekjaren de klacht gegrond is verklaard. Gelet op de uitspraak van de accountantskamer en de overwegingen van de accountantskamer in de andere klachtonderdelen, is naar het oordeel van het College duidelijk dat de accountantskamer heeft bedoeld om dit klachtonderdeel voor alle drie de boekjaren gegrond te verklaren. Als de accountantskamer had bedoeld het klachtonderdeel gegrond te verklaren voor maar één boekjaar, dan zou zij dat expliciet hebben vermeld zoals zij ook bij andere klachtonderdelen heeft gedaan.
8.7
De hogerberoepsgrond van de curator slaagt niet.
Klachtonderdeel a.7 de beoordeling van de volwaardigheid de vorderingen op [naam 7] c.s.
9.1
Dit klachtonderdeel ziet op de controle van een aantal vorderingen van [naam 2] op vennootschappen die behoorden tot [naam 7] c.s., waaronder een vordering op [naam 17] B.V. van € 9.130.000,- na verrekening. Ultimo 2014 bedroeg de totale waarde van deze vorderingen van [naam 2] € 24.831.000,-.
9.2
De accountantskamer heeft hierover het volgende overwogen:
“4.10.3. De Accountantskamer stelt voorop dat de vorderingen op [naam 7] c.s. gezien de omvang van de daarmee gemoeide bedragen materieel waren voor de controle van de jaarrekening 2014 van [naam 2] . Naar aanleiding van het standpunt van betrokkene dat het gegeven dat het (primair) aan het bestuur van [naam 2] was om te beoordelen of een voorziening nodig was, overweegt de Accountantskamer dat de verantwoordelijkheid van het bestuur voor het al dan niet treffen van voorzieningen niet afdoet aan de verantwoordelijkheid van betrokkene, als externe accountant, om te beoordelen of sprake was van een bijzondere waardevermindering voor wat betreft deze vorderingen. Hij mocht hierbij niet zonder nader onderzoek afgaan op mededelingen van het management. Een dergelijke verplichtingen volgt uit Standaard 500.6, waarin bepaald is dat de accountant zijn controlewerkzaamheden zo dient op te zetten en uit te voeren dat die in de omstandigheden geschikt zijn om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen. Ook dienen overwegingen in verband hiermee op grond van Standaard 230.8 te worden vastgelegd in het controledossier.
4.10.4.
Niet gebleken is dat betrokkene de volwaardigheid van de vorderingen op [naam 7] c.s. heeft beoordeeld. Zo is het cash genererend vermogen van [naam 7] c.s. niet beoordeeld. Niet onderzocht is of [naam 7] c.s. in staat waren om te voldoen aan hun verplichtingen ten opzichte van [naam 2] . In dit verband is onder meer van belang dat [naam 17] vanaf 31 december 2011 is ontbonden, waarbij [naam 2] als enig bestuurder de vereffenaar is geworden. Het had op de weg van betrokkene gelegen om te beoordelen of het reëel was dat de vordering op [naam 17] ultimo 2014 nog altijd als een gewone (kortlopende) handelsvordering was aangemerkt. Ook had de grondslag voor de waardering van vorderingen in de jaarrekening (na de eerste verwerking worden vorderingen gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs), aanleiding moeten zijn te onderzoeken of de feitelijke waardering passend was bij de verwachte looptijd van de vorderingen. Van een dergelijke beoordeling is niet gebleken.
4.10.5.
Betrokkene geeft aan dat een herstructurering van de [naam 7] -groep in gang was gezet.
Onderdeel daarvan zou zijn het opschonen van de groepsstructuur. Dit zou leiden tot het
opschonen van de intercompany vorderingen en schulden, hetzij door (cessie en) verrekening,
hetzij door uitkering als dividend. Daarmee zouden ook de vorderingen van [naam 2] op [naam 7] c.s.
worden weggestreept. Dit traject was ultimo 2014 nog niet in gang gezet, aldus betrokkene. De
Accountantskamer overweegt hierover als volgt. Niet duidelijk is waar betrokkene zijn stelling dat
de vorderingen van [naam 2] op [naam 7] c.s. uiteindelijk zouden worden weggestreept op baseert.
Uit de geconsolideerde jaarrekening 2014 van [naam 2] blijkt niet dat ook sprake was van schulden
aan [naam 7] c.s. Een onderbouwing van de effecten van de herstructurering is niet overgelegd,
zodat onduidelijk is wat de financiële positie van [naam 2] na de herstructureringen zou zijn. Ook het
verrekenen van de vordering door het uitkeren van dividend door [naam 2] aan [naam 7] Beheer kan
niet zonder meer als waarschijnlijk worden beschouwd, gezien de financiële positie en de
verhouding naar schuldeisers.
4.10.6.
Dat [naam 7] Beheer ultimo 2014 beschikte over een eigen vermogen van € 21.300.000
betekende niet zonder meer dat [naam 7] c.s. in staat was de schuld af te lossen c.q. beschikte
over concrete mogelijkheden om via verrekening haar verplichtingen ten opzichte van [naam 2] te
voldoen. Het belangrijkste vermogensbestanddeel van [naam 7] Beheer bestond immers uit
aandelen [naam 2] .
4.10.7.
De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene voor wat betreft de beoordeling van de volwaardigheid van de vorderingen op [naam 7] c.s. inzake boekjaar 2014 niet heeft gehandeld in overeenstemming met Standaard 500.6 en met Standaard 230.8. Hij heeft daarmee gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.”
9.3
[naam 3] voert aan dat hij in het verweerschrift en tijdens de zitting bij de accountantskamer al heeft toegelicht dat hij de vorderingen heeft geverifieerd aan de hand van de administratie van [naam 7] c.s. Daaruit bleek dat [naam 7] c.s. de vorderingen van [naam 2] volledig erkenden. Daarnaast heeft hij beoordeeld of er aanleiding was te veronderstellen dat de vorderingen mogelijk niet zouden worden betaald. Hierbij was van belang dat de (intercompany) vorderingen tegen elkaar zouden worden weggestreept, dat [naam 2] na de herstructurering aan de top kwam te staan en dat de herstructurering daadwerkelijk zou worden doorgevoerd. Op dezelfde wijze heeft hij ook vastgesteld dat [naam 7] c.s. in staat waren te voldoen aan hun verplichtingen ten opzichte van [naam 2] . De geconsolideerde nieuwe groep zou een eigen vermogen hebben van € 23.330.000,- . Ook is onjuist dat hij niet heeft beoordeeld of het reëel was dat de vordering op [naam 17] als een gewone (kortlopende) handelsvordering was aangemerkt. [naam 3] heeft al in 2012 beoordeeld of de vordering als kortlopende vordering kon worden verantwoord. Vervolgens heeft hij zich vergewist van de afwikkeling van de ontbinding van [naam 17] . De intercompany vorderingen zouden in het kader van de herstructurering op zo kort mogelijke termijn worden afgewikkeld, zodat sprake was van kortlopende schulden. In dit verband heeft [naam 3] zich ook vergewist van het verloop van de herstructurering en de afwikkeling van de vorderingen.
9.4
Het College stelt vast dat [naam 3] in zijn hoger beroep grotendeels herhaalt wat hij bij de accountantskamer heeft aangevoerd. Hij onderbouwt daarbij niet nader waarom de overwegingen en het oordeel van de accountantskamer over dit klachtonderdeel onjuist zijn. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [naam 3] met zijn hogerberoepschrift nog nadere stukken overgelegd. Uit deze stukken kan het College echter niet opmaken waaruit blijkt dat [naam 7] c.s. in staat was om aan de verplichtingen ten opzichte van [naam 2] te voldoen. [naam 3] heeft zijn standpunt dan ook onvoldoende onderbouwd.
9.5
De hogerberoepsgrond van [naam 3] slaagt niet. Klachtonderdeel a.7 is wat betreft boekjaar 2014 terecht gegrond verklaard.
9.6
Ook het betoog van de curator in zijn hoger beroep slaagt niet. De curator heeft zijn standpunt dat dit klachtonderdeel ook wat betreft de boekjaren 2012 en 2013 gegrond zou moeten worden verklaard, niet nader onderbouwd. Er is onvoldoende informatie over de boekjaren 2012 en 2013 overgelegd waaruit blijkt dat [naam 3] wat betreft de beoordeling van de volwaardigheid van de vorderingen op [naam 7] c.s. ook voor deze jaren niet heeft gehandeld in overeenstemming met Standaard 500.6 en met Standaard 230.8.
9.7
De hogerberoepsgrond van de curator slaagt niet. Klachtonderdeel a.7 is terecht alleen gegrond verklaard voor wat betreft boekjaar 2014.
Goedkeurende verklaring jaarrekeningen 2012, 2013 en 2014
10.1
De curator heeft in zijn hoger beroep aangevoerd dat de klacht ook inhield dat [naam 3] ten onrechte goedkeurende verklaringen heeft verstrekt bij de jaarrekeningen 2012, 2013 en 2014 en dat de accountantskamer deze klacht ten onrechte niet heeft behandeld. Volgens [naam 3] was geen sprake van een zelfstandig klachtonderdeel.
10.2
Het College stelt vast dat de curator in het klaagschrift (onder 1.12.8) heeft gesteld dat [naam 3] de jaarrekeningen 2012, 2013 en 2014 ten onrechte van een goedkeurende verklaring heeft voorzien. De curator heeft dit standpunt meerdere keren herhaald bij de bespreking van de afzonderlijke klachtonderdelen. Het College ziet hierin dan ook een tuchtrechtelijk verwijt dat onderdeel uitmaakt van de klacht.
10.3
De accountantskamer heeft uit de gegrond verklaarde klachtonderdelen geconcludeerd dat [naam 3] in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft gehandeld. Op het onder 10.1 genoemde verwijt is de accountantskamer niet ingegaan. Zonder motivering ziet het College niet in waarom de accountantskamer geen aanleiding heeft gezien om in haar uitspraak de vraag te betrekken of [naam 3] de door hem gecontroleerde jaarrekeningen 2012, 2013 en 2014 ten onrechte van een goedkeurende verklaring heeft voorzien.
10.4
Het College is van oordeel dat [naam 3] ten onrechte de jaarrekening 2014 heeft voorzien van een goedkeurende verklaring. Zoals hierboven is geoordeeld, heeft [naam 3] gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid voor wat betreft de klachtonderdelen a.4 (behoudens wat betreft de post overige waardebonnen) tot en met a.7. Hij heeft op deze onderdelen van de controle geen voldoende en geschikte controle-informatie verkregen. Het is dan ook onduidelijk of de posten waarop de klachtonderdelen a.4, a.5 en a.7 betrekking hebben op juiste waarde zijn weergegeven in de financiële overzichten. Wat betreft klachtonderdeel a.6 ontbreekt om genoemde reden het volgens Standaard 600.17 en Standaard 230.8 vereiste inzicht, zoals genoemd door de accountantskamer in 4.9.4 en 4.9.5 van de bestreden uitspraak. Hierdoor was er onvoldoende grondslag voor het afgeven van een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 2014.
10.5
Voor de boekjaren 2012 en 2013 heeft [naam 3] alleen voor klachtonderdeel a.6 gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Dit acht het College in dit geval onvoldoende voor het oordeel dat [naam 3] ten onrechte een goedkeurende verklaring heeft afgegeven bij de jaarrekeningen van 2012 en 2013.
10.6
De hogerberoepsgrond van de curator slaagt voor zover het de goedkeurende verklaring betreft bij de jaarrekening 2014.
Klachtonderdeel b. de in de procedure bij de rechtbank Rotterdam afgelegde verklaringen
11.1
Dit klachtonderdeel gaat over verklaringen die zijn afgelegd tijdens een kortgedingprocedure die de curator tegen [naam 9] aanhangig had gemaakt en die zijn gedaan door de gemachtigde van [naam 9] in die procedure, die tevens de gemachtigde is van [naam 3] in de onderhavige procedure. Deze verklaringen zouden volgens de curator bewust onjuist en misleidend zijn. [naam 3] heeft tegen deze verklaringen geen bezwaar gemaakt, terwijl hij wel bij de zitting in de kortgedingprocedure aanwezig was. Het gaat om de volgende opmerkingen:
1. Ten onrechte is verklaard dat [naam 9] de door de curator genoemde memoriaalboekingen niet kon terugvinden.
2. Ten onrechte is verklaard dat de detailboekhouding van [naam 6] overeenkomt met de uiteindelijke geconsolideerde jaarrekening van [naam 2] .
3. Ten onrechte is verklaard dat de facto geen enkele post die onder de materialiteitsgrens van € 750.000,- lag, is gecontroleerd.
4. Ten onrechte is verklaard dat geen aanleiding bestond voor het treffen van een voorziening voor de oninbaarheid van vorderingen op [naam 7] c.s.
11.2
De accountantskamer heeft hierover het volgende overwogen:
“4.11.4. De Accountantskamer is van oordeel [dat; toevoeging door het College] klagers niet aannemelijk hebben gemaakt dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor, onder 4.11.2, bedoeld. In dit verband is van belang dat, daargelaten de vraag óf de rechter in de bij de rechtbank Rotterdam gevoerde procedure is misleid, in ieder geval niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is geweest van bewuste (pogingen tot) misleiding door betrokkene. De Accountantskamer is van oordeel dat de opmerkingen 1 en 2 feitelijke grondslag missen. Klagers hebben ten aanzien van opmerking 1 niet aannemelijk gemaakt dat [naam 9] naar aanleiding van de kortgedingdagvaarding de in periode 13 geboekte memoriaalposten wel in de betreffende grootboeken is tegengekomen (feitelijk heeft gezien), maar desondanks, en dus in strijd met de waarheid, in het kort geding heeft gesteld die niet tegen te zijn gekomen (feitelijk niet te hebben gezien). [naam 9] heeft als verweer aangevoerd niet over alle grootboekkaarten en/of grootboekmutaties te beschikken. Opmerking 2 mist eveneens feitelijk grondslag omdat het verweer van [naam 9] in het kort geding, gegeven de uitwerking ervan, zo moet worden begrepen, dat de saldibalans van [naam 6] wat betreft de posten materiële en immateriële vaste activa is aangesloten op de geconsolideerde jaarrekening en dat die aansluiting correct was. Dat dit anders was, is door klagers niet aannemelijk gemaakt. Voor wat betreft opmerking 3 komt hierbij dat klagers aan randnummer 39 van de in het kader van het kort geding bij de rechtbank Rotterdam ingebrachte 'akte overlegging producties' een conclusie trekken die niet zonder meer uit de tekst van dit stuk volgt. Veeleer ligt voor de hand dat in randnummer 39 van de 'akte overlegging producties' niet bedoeld is om aan te geven dat in het geheel geen controlewerkzaamheden zijn verricht ten aanzien van posten die onder de materialiteitsgrens lagen, maar dat deze niet in de deelwaarneming vielen. Ten aanzien van opmerking 4 geldt eveneens dat de Accountantskamer niet kan vaststellen dat sprake is geweest van bewuste misleiding door betrokkene. Betrokkene heeft door het innemen van de civiele standpunten ten aanzien waarvan hem een verwijt wordt gemaakt dan ook niet gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel.”
11.3
De curator voert in zijn hoger beroep aan dat de accountantskamer deze klacht ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De gemachtigde van [naam 9] heeft in de procedure bij de rechtbank Rotterdam in 2019 bewust onjuiste en/of misleidende uitlatingen gedaan, met het oogmerk de rechter op het verkeerde been te zetten, terwijl [naam 3] in de gelegenheid was dat te voorkomen. Hierdoor heeft [naam 3] gehandeld in strijd met de door hem in acht te nemen fundamentele beginselen.
11.4
Volgens de curator leidt een door een accountant ingenomen civielrechtelijk standpunt volgens de rechtspraak tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt als de klager aannemelijk maakt dat de accountant een niet-verdedigbaar civielrechtelijk standpunt heeft betrokken en sprake is van bijzondere omstandigheden. Verder kunnen onjuiste uitlatingen van de gemachtigde van een accountant tuchtrechtelijk aan de accountant worden tegengeworpen als aannemelijk wordt gemaakt dat die uitlatingen bewust misleidend zijn, met het oogmerk om de rechter op het verkeerde been te zetten, de accountant dit had kunnen voorkomen maar dit niet heeft gedaan en de (tucht)rechter daadwerkelijk is misleid. De accountantskamer heeft deze twee vormen vermengd en hieruit een onjuiste conclusie getrokken. Het is immers duidelijk dat [naam 3] bewust een onjuist of misleidend standpunt heeft ingenomen, dan wel dat hem in sterke mate verweten kan worden dat hij een onjuist of misleidend standpunt heeft ingenomen.
11.5
Volgens de rechtspraak van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:159) is het een accountant toegestaan in een zakelijk conflict een verdedigbaar civielrechtelijk standpunt aan zijn wederpartij, en eveneens aan derden, kenbaar te maken, behoudens bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat een accountant zich met het oog op de fundamentele beginselen anders had moeten opstellen, kan onder meer sprake zijn indien de accountant bewust een onjuist of misleidend standpunt heeft ingenomen of indien de accountant in sterke mate verweten kan worden dat hij een onjuist of misleidend standpunt heeft ingenomen.
11.6
Vervolgens geldt dat wanneer een advocaat namens zijn cliënt uitlatingen doet die feitelijk onjuist zijn, dat niet zonder meer tuchtrechtelijk kan worden tegengeworpen aan de accountant. In dat geval moet aannemelijk worden gemaakt dat die uitlatingen bewust misleidend zijn gedaan, met het oogmerk de rechter op het verkeerde been te zetten en dat de accountant in de gelegenheid was om dat te voorkomen maar dat niet heeft gedaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 2 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:219).
11.7
[naam 3] was persoonlijk geen partij bij het bij de rechtbank Rotterdam gevoerde kort geding, maar hij heeft tijdens de zitting bij de accountantskamer desgevraagd verklaard destijds op voorhand kennis te hebben genomen van de stukken die in het kader van die procedure namens [naam 9] zijn ingebracht en dat hij naar aanleiding daarvan geen actie heeft ondernomen. De accountantskamer heeft hierover geoordeeld dat de verklaringen die de gemachtigde van [naam 9] heeft afgelegd in het kader van dit kort geding, in deze specifieke context kunnen worden toegerekend aan [naam 3] , omdat de vordering in die zaak gericht was op de afgifte van bescheiden met betrekking tot de controlewerkzaamheden van [naam 3] . Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Het College begrijpt hieruit dat de uitlatingen van de gemachtigde van [naam 9] in de kortgedingprocedure kunnen worden beschouwd als (mede) te zijn gedaan namens [naam 3] , ook al was hij niet ‘de cliënt’ in de kortgedingprocedure.
11.8
Het College moet nu dus beoordelen of de uitlatingen dan wel opmerkingen die door de gemachtigde (mede) namens [naam 3] zijn gemaakt, in dit geval bewust misleidend zijn gedaan en met het oogmerk om de rechter op het verkeerde been te zetten. Met de accountantskamer is het College van oordeel dat de curator voor geen van de onder 11.1 genoemde opmerkingen aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van bewuste misleiding. Dat de curator het niet eens is met de opmerkingen die tijdens de kortgedingprocedure zijn gemaakt, betekent nog niet dat sprake is van (bewuste) misleiding.
11.9
Het College volgt dan ook de conclusie van de accountantskamer op dit punt, namelijk dat [naam 3] door het innemen van de civiele standpunten ten aanzien waarvan hem een verwijt wordt gemaakt niet heeft gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel.
11.1
De hogerberoepsgrond van de curator slaagt niet. Klachtonderdeel b. is terecht ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c. de weigering informatie en/of afschriften van (delen van) de controledossiers te verstrekken
12.1
Deze klacht ziet op de volgens de curator onterechte weigering van [naam 3] om (delen uit) de controledossiers aan hem ter beschikking te stellen. De accountantskamer heeft vastgesteld dat [naam 3] bij brief van 30 oktober 2020 uitgebreid heeft gereageerd op de verzoeken om informatie en om afschriften van stukken uit het controledossier. Bij deze brief zijn zestien dossierstukken overgelegd. In deze brief wordt ook specifiek ingegaan op overige stukken waar de curator om heeft verzocht. De accountantskamer is van oordeel dat met de brief van 30 oktober 2020 afdoende is gereageerd op de diverse onderdelen van de verzoeken van de curator.
12.2
De curator voert als hogerberoepsgrond aan dat de accountantskamer ten onrechte de klacht op dit punt ongegrond heeft verklaard. Met dit oordeel miskent de accountantskamer in zijn algemeenheid de inhoud en achtergrond van de norm van de informatieplicht. Als uitgangspunt geldt dat een accountant bereid moet zijn aan zijn opdrachtgever en aan de curator in het faillissement van die opdrachtgever, op diens verzoek informatie te verstrekken over de verrichte werkzaamheden. In dit geval had [naam 3] ruimhartig openheid van zaken moeten geven en de volledige controledossiers 2012-2014, en in ieder geval de expliciet gevraagde stukken moeten verstrekken. Volgens de curator volgt dit uit de verzwaarde motiveringsplicht die voor accountants geldt. Het geven van niet-verifieerbare informatie zonder onderliggende (controledossier)stukken was onvoldoende. De accountantskamer is hieraan ten onrechte voorbijgegaan. De vragen van de curator waren inhoudelijk en gedetailleerd gemotiveerd en herhaaldelijk gesteld.
12.3
De curator voert daarnaast aan dat [naam 3] naar aanleiding van de latere verzoeken alsnog de volledige controledossiers had moeten verstrekken. De accountantskamer heeft deze klacht ten onrechte niet beoordeeld, zodat dit alsnog moet gebeuren. De curator heeft namelijk op 17 februari 2021 nog gemotiveerd verzocht om specifieke informatie en stukken.
12.4
[naam 3] betwist dat hij de volledige controledossiers over 2012-2014 moest verstrekken. Hij heeft uitvoerig en gemotiveerd met stukken uit de controledossiers gereageerd op de informatieverzoeken van de curator. De curator had geen interesse in zijn toelichting op de wijze waarop de controle had plaatsgevonden. Daarnaast reageerde de curator niet op de vragen naar een eventueel onderzoek naar de oorzaken van het faillissement en de beweerde fraude. De curator heeft ook verder niet gemotiveerd aangegeven welke stukken hij nog meer zou willen hebben, maar houdt vast aan zijn verzoek om de volledige controledossiers te verstrekken. Daar komt bij dat de curator zich in het hele traject heeft laten bijstaan door een of meer accountants, zodat hij zich niet kan presenteren als niet-deskundig.
12.5
Het College stelt voorop dat voor een accountant als opdrachtnemer geen algemene en onbeperkte verantwoordingsplicht bestaat in de vorm van het afgeven van (afschriften van) stukken uit zijn dossier aan zijn opdrachtgever, laat staan aan de curator in het faillissement van die opdrachtgever. De invulling van die verantwoordingsplicht is afhankelijk van de aard van de werkzaamheden die zijn verricht ter uitvoering van de opdracht, de deskundigheid van de opdrachtgever en overigens van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Dit neemt niet weg dat een accountant in beginsel bereid moet zijn aan zijn opdrachtgever en aan de curator in het faillissement van die opdrachtgever op diens verzoek in algemene zin informatie te verstrekken over de door hem ter uitvoering van zijn opdracht verrichte werkzaamheden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 31 januari 2023, ECLI:NL:CBB:2023:44).
12.6
[naam 3] was dan ook niet verplicht om de volledige controledossiers over de boekjaren 2012, 2013 en 2014 aan de curator te verstrekken. Het College volgt het oordeel van de accountantskamer dat [naam 3] met zijn brief van 30 oktober 2020 afdoende heeft gereageerd op de diverse onderdelen van de verzoeken van de curator. Ook op de aanvullende verzoeken van de curator die nadien zijn gedaan (onder meer bij brief van 17 februari 2021) heeft [naam 3] zorgvuldig gereageerd en waar hij dat nodig vond, onderbouwd met stukken. Hiermee heeft hij voldaan aan zijn verantwoordingsplicht en heeft hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
12.7
De hogerberoepsgrond van de curator slaagt niet. Klachtonderdeel c. is terecht ongegrond verklaard.
De opgelegde maatregel
13 Het College overweegt dat ten aanzien van de klachtonderdelen a.1, a.2 en a.4 voor wat betreft de post overige waardebonnen, de klacht alsnog ongegrond wordt verklaard. In zoverre heeft [naam 3] op die punten, anders dan de accountantskamer had geoordeeld, niet gehandeld in strijd met de gedrags- en beroepsregels. De resterende schendingen van de gedrags- en beroepsregels wegen naar het oordeel van het College wel zodanig zwaar dat voor matiging van de door de accountantskamer opgelegde maatregel geen aanleiding bestaat. Het College concludeert dat [naam 3] voor meerdere (materiële) onderdelen van de jaarrekening onvoldoende controlewerkzaamheden heeft verricht, waaronder het kasgeld, pinbetalingen en bankstortingen, de hoogte van de vorderingen van [naam 6] op [naam 14] en de beoordeling van de volwaardigheid van de vorderingen op [naam 7] c.s. Ook had hij onvoldoende inzicht in de omgeving en financiering van de [naam 2] -groep. Hierdoor heeft hij meerdere Standaarden niet nageleefd en heeft hij gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Daar komt bij dat door de schending van de gedrags- en beroepsregels er bij de jaarrekening 2014 een goedkeurende verklaring is afgegeven, terwijl daarvoor onvoldoende deugdelijke grondslag bestond en de accountantskamer daaraan ten onrechte is voorbijgegaan. Naar het oordeel van het College moet het vorenstaande [naam 3] worden aangerekend. Het College acht de aan [naam 3] opgelegde maatregel van tijdelijke doorhaling van zijn inschrijving in de registers voor de duur van één maand passend en geboden.
Conclusie
14.1
De slotsom is dat het hoger beroep van [naam 3] gegrond is voor zover het betreft het gegrond verklaren van de klachtonderdelen a.1, a.2 en a.4 wat betreft de post overige waardebonnen. Het College zal de klachtonderdelen a.1, a.2 en a.4 voor wat betreft de post overige waardebonnen ongegrond verklaren.
14.2
Het hoger beroep van de curator is gegrond voor zover hij heeft betoogd dat de accountantskamer aan het handelen en nalaten van [naam 3] ten onrechte niet ook de conclusie heeft verbonden dat hij op basis van de door hem uitgevoerde werkzaamheden geen voldoende deugdelijke grondslag had om bij de door hem gecontroleerde jaarrekening 2014 een goedkeurende verklaring af te geven.
14.3
De uitspraak van de accountantskamer moet in zoverre worden vernietigd. Voor het overige blijft de bestreden uitspraak, met inbegrip van de opgelegde maatregel, in stand.
14.4
De beslissing op deze hoger beroepen berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College:
- verklaart het hoger beroep van [naam 3] gegrond voor zover het betreft de klachtonderdelen a.1, a.2 en a.4 voor wat betreft de post overige waardebonnen;
- verklaart het hoger beroep van de curator gegrond voor zover het betreft het buiten beoordeling laten van de klacht dat bij de jaarrekening 2014 een verklaring is afgegeven die een voldoende deugdelijke grondslag ontbeert;
- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak in zoverre;
- verklaart de klachtonderdelen a.1, a.2 en a.4 voor wat betreft de post overige waardebonnen ongegrond;
- verklaart de klacht dat bij de jaarrekening 2014 een accountantsverklaring is afgegeven die een voldoende deugdelijke grondslag ontbeert, gegrond;
- verklaart de hoger beroepen voor het overige ongegrond, met instandlating van de aan [naam 3] opgelegde maatregel van tijdelijke doorhaling van zijn inschrijving in de registers voor de duur van één maand.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. S.C. Stuldreher en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. F. Willems