Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:279

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
23/1841
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:24 AwbArt. 5:25 AwbArt. 5:29 AwbArt. 5:31 AwbArt. 5:31c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedbestuursdwang inbeslagname schapen rechtmatig wegens overtredingen dierenwelzijn

Op 8 februari 2023 constateerden toezichthouders en een dierenarts van de NVWA ernstige overtredingen bij de verzorging van 132 schapen van [naam 3]. De schapen verkeerden in slechte conditie, met onder meer vermagering, parasitaire aandoeningen en onvoldoende bescherming tegen weersomstandigheden. De staatssecretaris nam de schapen met spoed in beslag en bracht ze onder bij een opslaghouder.

[naam 3] betwistte de overtredingen en de rechtmatigheid van de bestuursdwang, stellende dat hij de Wet dieren niet had overtreden en dat hij de situatie zelf had kunnen verbeteren. Het College oordeelde dat de staatssecretaris terecht uitging van het rapport van bevindingen en de veterinaire verklaring, die voldoende onderbouwing boden voor de overtredingen en de noodzaak van spoedmaatregelen.

De toepassing van spoedbestuursdwang werd als proportioneel en noodzakelijk beoordeeld, gezien de ernstige gezondheidstoestand van de dieren en het ontbreken van alternatieven. Het beroep tegen het spoedbestuursdwangbesluit werd ongegrond verklaard. Wel werd het beroep tegen het kostenbesluit deels gegrond verklaard omdat onterecht camerakosten in rekening waren gebracht. Daarnaast kende het College een schadevergoeding toe van €1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

De staatssecretaris werd veroordeeld tot terugbetaling van €140,- aan onterecht gefactureerde kosten en tot vergoeding van proceskosten aan de partijen. De uitspraak werd gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, mr. T. Pavićević en mr. H.R. Kranenborg op 16 juni 2026.

Uitkomst: De spoedbestuursdwang inbeslagname van de schapen was rechtmatig, het kostenbesluit werd deels vernietigd en er werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1841

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak

[naam 1] en [naam 2], te [woonplaats] (hierna te noemen respectievelijk [naam 3] en Veehandel BV, en tezamen [naam 4] )
(gemachtigde: mr. C.A. van Kooten)
en
de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. P.M.M. van Bennekom)
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

Procesverloop

Met het besluit van 23 februari 2023 (spoedbestuursdwangbesluit) heeft de staatssecretaris de toepassing van spoedbestuursdwang zonder voorafgaande last op 8 februari 2023 wegens overtredingen van het Besluit houders van dieren (Bhd) op schrift gesteld.
Met het besluit van 29 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van [naam 4] tegen het spoedbestuursdwangbesluit ongegrond verklaard. Het bezwaar van [naam 2] heeft hij niet-ontvankelijk verklaard.
Met het besluit van 24 mei 2024 (kostenbesluit) heeft de staatssecretaris de kosten van de toegepaste bestuursdwang vastgesteld op € 19.723,69 en deze kosten ten laste van de overtreder gebracht. De staatssecretaris heeft de kosten verrekend met de betaalde geschatte kosten en € 4.542,44 terugbetaald.
[naam 4] hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Over een aantal stukken die de staatssecretaris verplicht is te overleggen, heeft hij met een beroep op artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Met de beslissing van 18 maart 2026 heeft het College geoordeeld dat beperking van de kennisneming van de bezoekrapporten van de dierenarts bij de opslaghouder gerechtvaardigd is. De beperking van de kennisneming van het intakeverslag met de verklaring van de dierenarts is niet gerechtvaardigd. [naam 4] hebben het College geen toestemming verleend om mede op grondslag van de stukken uitspraak te doen.
[naam 4] . hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband met dat verzoek heeft het College de Staat in de procedure betrokken.
De zitting was op 19 maart 2026. De zaak is gevoegd met de zaak 24/58 behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 5] namens [naam 4] ., en [naam 6] en [naam 7] namens de staatssecretaris, en de gemachtigden van partijen.

Waar gaat deze zaak over

1 Twee toezichthouders en een dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben naar aanleiding van een melding van de dierenambulance [plaats 1] op 8 februari 2023 schapen op een perceel in [plaats 2] gecontroleerd. Daarbij constateerden zij dat met betrekking tot (de verzorging van) 132 schapen overtredingen werden gepleegd. De schapen verkeerden in een slechte conditie en hadden direct een dierenarts en aanvullende verzorging nodig. De staatssecretaris heeft alle schapen met spoed meegevoerd vanwege de overtreding van vier bepalingen van het Bhd. De schapen zijn opgevangen door een opslaghouder. [naam 3] , eigenaar van de schapen, heeft de geschatte kosten voor de toepassing van de bestuursdwang vergoed, waarna de staatssecretaris de schapen teruggegeven heeft. [naam 3] is het niet eens met het meevoeren en opslaan van zijn schapen, omdat hij de Wet dieren niet heeft overtreden. Daarnaast had de staatssecretaris hem eerst de gelegenheid moeten geven de toestand van zijn schapen te verbeteren.

Wettelijk kader

2 Het toepasselijke wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling van het beroep

Het beroep van Veehandel BV
3 De staatssecretaris heeft het bezwaar van Veehandel BV terecht niet-ontvankelijk verklaard met het besluit op bezwaar, omdat het spoedbestuursdwang- en kostenbesluit niet aan haar gericht zijn en zij ook verder geen belanghebbende is bij die besluiten. Dat [naam 3] de schapen via zijn BV doorverkoopt maakt, dat niet anders. Het beroep van Veehandel BV is daarom ongegrond.
Intakelijst
4.1
De staatssecretaris heeft de vertrouwelijke versie van de lijst van alle dieren met de conditiescore en medische situatie (intakelijst) met de verklaring van de dierenarts op de zitting alsnog overgelegd. [naam 4] stelt zich op het standpunt dat de late indiening in strijd is met de goede procesorde.
4.2
Op grond van artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen nadere stukken ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval als de nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt gehinderd. Vast staat dat [naam 3] in de gronden van het bezwaarschrift van 10 mei 2023 heeft aangevoerd dat hij niet heeft kunnen controleren of en welke dierenarts de intakelijst heeft ingevuld en ook in beroep heeft hij vraagtekens gezet bij de intakelijst. Gelet hierop heeft het College op 4 maart 2026 de staatssecretaris verzocht informatie te verschaffen over de opsteller van de intakelijst. De staatssecretaris heeft de intakelijst voorzien van een verklaring op 16 maart 2026 kort voor de zitting overgelegd met een verzoek om beperkte kennisneming. Dat verzoek is afgewezen. Gezien het tijdsverloop na het bezwaar en het verzoek van het College is de indiening van de intakelijst op de zitting op 19 maart 2026 verwijtbaar laat. [naam 4] heeft daardoor niet meer adequaat kunnen reageren. De handelwijze van de staatssecretaris is in strijd met de goede procesorde en het College zal de intakelijst voorzien van de verklaring van de dierenarts daarom buiten beschouwing laten bij de beoordeling van het beroep.
Heeft [naam 3] de overtredingen begaan?
5.1
Uit het systeem van de Awb volgt dat een herstelsanctie pas kan worden opgelegd nadat een overtreding heeft plaatsgevonden. De staatssecretaris heeft op basis van het rapport van bevindingen van de toezichthouders van 20 februari 2023 en de veterinaire verklaring van de dierenarts van de NVWA van 24 februari 2023 geconcludeerd dat [naam 3] overtredingen heeft begaan.
5.2
Volgens rechtspraak van het College, waaronder de uitspraak van het College van 19 september 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:514 onder 5.2) mag een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, als de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door (een) hiertoe bevoegde toezichthouder(s) en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Als de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, en ook de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent. Als het rapport van bevindingen, zoals in dit geval, niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, komt aan de in het rapport vermelde feiten en omstandigheden minder bewijskracht toe dan wanneer deze zouden zijn opgenomen in een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dit betekent evenwel niet dat het bestuursorgaan zijn besluit niet (uitsluitend) op het rapport van bevindingen mag baseren. Het College betrekt hierbij dat dit rapport is opgesteld door opgeleide toezichthouders, van wie niet is gebleken dat zij een belang hebben bij het onjuist vermelden van hun waarnemingen.
Genoeg gezond en geschikt voer
6.1
Op grond van artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd draagt degene die een dier houdt er zorg voor dat een dier een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier.
6.2
[naam 3] bestrijdt dat zijn schapen over onvoldoende gezond en geschikt voer beschikten. De schapen hadden ongeveer 30 hectare voedzaam gras dat volgens onderzoek droog was met een goede kwaliteit en structuur. De staatssecretaris heeft geen onderzoek verricht naar de graskwaliteit, de oorzaak van de diarree en vermagering en hij heeft ook niet gesteld welk voer dan wel noodzakelijk was. Bijvoeren was gezien de graskwaliteit niet nodig, maar [naam 3] beschikte over ruw- en krachtvoer om zo nodig bij te voeren.
6.3
In het rapport van bevindingen staat, voor zover van belang, het volgende:
“Na het palperen op de rug door [naam 6] bleek ons dat het schaap ernstig vermagert was en een BCS had van 1. Hierna heb ik, toezichthouder [naam 7] , samen met [naam 6] nog 2 schapen beoordeeld, wij zagen dat ook deze 2 schapen in een slechte conditie verkeerden, strontkonten en jeuk hadden waarschijnlijk als gevolg van inwendige en uitwendige parasieten.
[…]
Wij zagen dit vooral aan de, bij veel van de schapen, door de vacht heen aftekenende ruggengraat. Hierbij opgemerkt dat een gedeelte van deze schapen een zodanig dikke vacht had waardoor de conditie, zonder vastpakken, niet goed te bepalen was.
[…]
Het natte gras heeft in deze tijd van het jaar een sterk verminderde voedings- en structuurwaarde. Wij zagen op de percelen geen enkele aanwijzing dat de schapen werden bijgevoerd met voldoende energie en structuurrijk voedsel wat de schapen gezien hun slechte conditie zichtbaar wel nodig hadden. Het is ons uit ervaring bekend dat als dieren in een weide worden bijgevoerd je hier altijd aanwijzingen voor aantreft zoals restantjes voer en vertrappingen rond de voerplaatsen.”
In de veterinaire verklaring van de dierenarts staat, voor zover van belang, het volgende:
“Willekeurig haalde mijn collega […] om de beurt in totaal drie schapen uit de aanhanger voor nader onderzoek door mij. Ik constateerde na palpatie dat de drie schapen een BCS hadden van 1. BCS is Body Conditie Score op een schaal die oploopt van 1 tot 5. Waarbij 1 cachectisch/broodmager is en 5 vet. Gewenste BCS is 3 of hoger afhankelijk van doel, houderij als bijvoorbeeld fokdier of alsslachtdier.
[…]
De volgende dag zijn de schapen gecontroleerd en zo nodig behandeld door een dierenarts bij de opslaghouder.[…] Dit levert een gemiddelde BCS op van 1,4. Dat is een waarde die hoort bij een broodmager schaap.
[…]
De vermagering is in de loop van de herfst/winter ontstaan over een periode van
minimaal weken tot maanden, er vanuit gaande dat de dieren ooit wel een
goede conditie hadden.”
6.4
Naar het oordeel van het College heeft de staatssecretaris terecht vastgesteld dat [naam 3] geen zorg heeft gedragen voor een voor de dieren toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van de dieren. Hoewel het gras op de percelen van [naam 4] (ruwvoer) voor gezonde schapen over het algemeen voldoende zal zijn om schapen te voeren, heeft de staatssecretaris in dit geval terecht vastgesteld dat beweiden niet voldoende was. Uit het rapport van bevindingen en de veterinaire verklaring van de dierenarts blijkt namelijk dat de gecontroleerde schapen in een slechte conditie verkeerden en zeer mager waren. De dierenarts heeft bovendien geconstateerd dat meer dan de helft van de schapen diarree had en dat veel of mogelijk alle schapen maagdarminfecties of wormen hadden. De verklaring van dierenarts [naam 9] van Dierenartsengroep [plaats 3] , die op 8 februari 2023 ter plekke aanwezig was, werpt geen ander licht op die constateringen en daaruit volgt niet dat [naam 4] de schapen extra voer heeft aangeboden terwijl de noodzaak daartoe wel bestond. De staatssecretaris heeft voldoende onderzocht en onderbouwd dat de schapen bijgevoerd moesten worden met krachtvoer en aanvullend ruwvoer. Volgens het rapport van bevindingen zijn geen sporen van (kracht)voer aangetroffen op de percelen en de op de foto’s getoonde voerverpakkingen waren nog dicht. Dat de in de aanhangwagen geladen schapen zouden worden bijgevoerd, zoals [naam 4] stelt, blijkt nergens uit. Bovendien komt dit niet overeen met de verklaring van [naam 6] die ter plekke aanwezig was. Hij heeft verklaard dat de schapen zouden worden geruild.
(Onmiddellijke) verzorging van zieke/gewonde schapen en raadplegen dierenarts
7.1
Op grond van artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd draagt degene die een dier houdt er zorg voor dat een dier dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd.
Op grond van artikel 2.4, vijfde lid, van het Bhd raadpleegt degene die een dier houdt zo spoedig mogelijk een dierenarts wanneer de zorg, bedoeld in artikel 1.7, aanhef en onder c, geen verbetering in de toestand van het dier brengt.
7.2
Volgens [naam 3] waren zijn schapen overwegend gezond en heeft hij wanneer nodig de benodigde zorg aangeboden. Schapen die last hadden van losse wol en mijt heeft hij eerder op het perceel gedompeld in een bad met medicatie. Van schurft was geen sprake meer: de schapen hadden een losse en open vacht door de rui. Dat de schapen kreupel waren is niet aangetoond en de opslaghouder heeft daarvoor geen zorg geboden. De oorzaak van de diarree en vermagering is niet onderzocht en het verband met het gras is niet aangetoond. [naam 4] was voornemens een aantal schapen aanvullende verzorging te bieden: daartoe waren deze ingeladen.
7.3
In het rapport van bevindingen staat, voor zover van belang, het volgende:
“Wij zagen en telde dat er ongeveer 20 á 25 schapen in de aanhangwagen waren geladen. Ik, toezichthouder Barhorst, heb een willekeurig schaap uit de aanhanger gepakt en samen met [naam 6] beoordeeld. Wij stelden vast dat dit schaap zichtbaar jeuk had, wij zagen dat de vacht los hing, wij zagen schilfers op de huid en dit schaap had een strontkont.
[…]
Hierna heb ik, toezichthouder [naam 9] , samen met [naam 6] nog 2 schapen beoordeeld, wij zagen dat ook deze 2 schapen in een slechte conditie verkeerden, strontkonten en jeuk hadden waarschijnlijk als gevolg van inwendige en uitwendige parasieten.
[…]
Wij zagen dat veel schapen een losse en open vacht hadden. Ook zagen wij schapen in hun vacht bijten, zich krabden, stonden te schudden en stampten met hun poten. Het is ons bekend dat dit uitingen zijn van jeuk. Kennelijk hadden deze schapen last van uitwendige parasieten. Wij zagen dat meerdere schapen plakkaten met wol verloren waren. Het is ons bekend dat ook dit een aanwijzing kan zijn dat de schapen parasitaire aandoening hebben. Kennelijk waren deze schapen niet of in ieder geval niet voldoende behandeld tegen uitwendige parasieten. Ook zagen wij meerdere schapen kreupel lopen. Wij zagen dat meerdere schapen een van hun poten niet konden of wilden belasten.
[…]
Wij zagen dat veel schapen vervuild waren aan de achterkant met verse en oude mestresten en zichtbaar diarree hadden. Het is ons bekend dat dit veroorzaakt kan worden door inwendige parasieten maar ook door een niet goed functionerend spijsverteringssysteem.”
In de veterinaire verklaring van de dierenarts staat, voor zover van belang, het volgende:
“Ik zag dat er meerdere (15 tot 20) schapen kreupel tot ernstig kreupel liepen. Ik zag dat veel (meer dan de helft) van de schapen zogenaamde strontkonten hadden. Ik zag vooral ingedroogde klonten mest in de wol van de achterband en van de staarten.
[…]
Ik zag bij veel (meer dan 20) schapen loshangende, uitvallende wol en kale plekken met een schilferige huid. Ik zag op afstand dat de dieren stonden te stampen en schudden, gedrag wat
duidde op jeuk. Ik concludeerde op basis van de beelden en mijn expertise als dierenarts dat veel zo niet waarschijnlijk alle schapen last hadden van maagdarm-wormen infecties en ook schurft door mijten.
[…]
De diarree en aangekoekte mest is gedurende weken ontstaan, zeker gezien het feit dat de aanhangende mest al was ingedroogd tijdens de afgelopen periode.”
7.4
Naar het oordeel van het College heeft de staatssecretaris terecht vastgesteld dat [naam 3] zijn zieke of gewonde dieren niet onmiddellijk op passende wijze heeft verzorgd en/of een dierenarts heeft geraadpleegd toen de medische situatie van zijn schapen niet verbeterde. Dat de schapen aandoeningen hadden waarvoor medische zorg noodzakelijk was, is komen vast te staan. Uit de hiervoor aangehaalde passages uit het rapport van bevindingen blijkt dat de schapen loshangende vachten, jeuk en strontkonten hadden en/of anderszins vervuild en kreupel waren. De dierenarts heeft maagdarmwormen, mijten en klauwaandoeningen geconstateerd. Dierenarts [naam 9] heeft kreupele schapen en ook schurft waargenomen. Dat zij de verklaring met de NVWA heeft gedeeld zonder de toestemming van [naam 3] en de schapen kort en beperkt heeft beoordeeld, maakt niet dat de staatssecretaris deze verklaring niet mede bij zijn beoordeling mocht betrekken. De gezondheidstoestand van de schapen was zodanig dat [naam 3] ze onmiddellijk op passende wijze verzorging had moeten bieden. [naam 3] heeft die zorg niet geboden. Dat de schapen op 21 januari 2023 in een dompelbad tegen schurft zijn behandeld, doet niet af aan de actuele aandoeningen die de toezichthouders op 8 februari 2023 hebben waargenomen. In de veterinaire verklaring staat dat bij de opslaghouder een middel tegen schurft (cydectin) is toegepast om schurft tegen te gaan. Dat de schapen in de rui waren, blijkt nergens uit. De dierenartsen die de schapen hebben gezien, hebben dit in ieder geval niet vastgesteld. De verklaring van [naam 3] dat hij voornemens was zijn schapen nader te laten verzorgen is in strijd met de verklaring van [naam 6] dat de schapen op de aanhanger nog zouden worden geruild. Ook in dat geval zou overigens gelden dat slechts 22 van de 132 schapen zouden worden verzorgd terwijl vaststaat dat alle schapen een vorm van zorg nodig hadden.
Bescherming bieden tegen weersomstandigheden
8.1
Op grond van artikel 1.6, derde lid, van het Bhd wordt een dier, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren.
8.2
[naam 3] vindt dat zijn schapen wel degelijk zonder aanvullende bescherming in de winter in een veld gehouden konden worden. Als dat nodig was, konden zijn schapen in de luwte van een loods en/of bosjes staan. [naam 3] bestrijdt de situatie rond de vachten en de
BSC-scores, waardoor er geen reden was om aanvullende bescherming te bieden op de percelen. De schapen die al op de aanhangwagen stonden, zouden naar een stal worden gebracht.
8.3
In het rapport van bevindingen staat hierover, voor zover van belang, het volgende:
“Het is ons bekend dat de huid en vacht van een dier niet alleen de gezondheid van het dier weerspiegelt, ze draagt er ook toe bij. De huid en vacht voorkomt onder andere uitdroging, het is een zintuigorgaan en speelt een belangrijke rol bij dierlijke contacten, houdt de lichaamstemperatuur op peil en vormt een bescherming tegen verwondingen en ziekte. Als de vacht vol aangekoekte mest of modder zit en/of aangetast is door huidparasieten (schurft, luizen e.a.) kan de huid deze functies niet voldoende vervullen. Gezien de slechte voedingsconditie van de schapen en de slechte conditie van de vachten, de regenval en de verwachte lage temperaturen hadden de schapen op deze percelen onvoldoende bescherming tegen slechte weersomstandigheden.”
In de veterinaire verklaring van de dierenarts staat, voor zover van belang, het volgende:
“Schapen met parasieten (en ziekte in het algemeen) die niet tijdig zijn
gediagnosticeerd en behandeld en die dus sterk zijn vermagerd, moet je dus wel
direct gaan beschermen tegen de kou en regen (slechte weersomstandigheden).”
8.4
Naar het oordeel van het College heeft de staatssecretaris terecht vastgesteld dat [naam 3] zijn schapen geen bescherming heeft geboden tegen slechte weeromstandigheden en gezondheidsrisico’s. Uit de veterinaire verklaring blijkt dat de gezondheidstoestand en conditie van de schapen meebracht dat zij niet op temperatuur konden blijven. De staatssecretaris bestrijdt niet dat schapen over het algemeen ook in de winter buiten in de weide kunnen staan zonder extra beschutting. Maar in dit geval staat vast dat aanvullende bescherming nodig was vanwege de slechte conditie waarin de schapen verkeerden. De staatssecretaris heeft in dat verband terecht gewezen op de vermagerde toestand van de schapen (zie hiervoor onder 6.4) en de staat van hun huid en vachten (zie hiervoor onder 7.4). Dat de luwte van een loods en/of bosjes voldoende bescherming bood, is niet aannemelijk gezien de weersomstandigheden in februari (lage temperatuur, wind en regen). Het betoog dat [naam 3] zijn schapen voldoende bescherming heeft geboden, slaagt niet.
Toepassing spoedbestuursdwang
9.1
Aangezien [naam 3] de hiervoor genoemde overtredingen heeft begaan, is de staatssecretaris in beginsel bevoegd om handhavend op te treden (artikel 8.5 van de Wet dieren). In dit geval heeft de staatssecretaris spoedbestuursdwang (artikel 5:31, tweede lid, van de Awb) toegepast door de schapen meteen mee te nemen, naar een opvanglocatie te vervoeren, en het besluit achteraf op schrift te stellen.
9.2
[naam 3] voert aan dat de toepassing van spoedbestuursdwang in dit geval disproportioneel is. Niet alle schapen waren er zo slecht aan toe dat ze direct verzorging nodig hadden en, voor zover dat wel zo was, stonden er schapen op de aanhangwagen voor aanvullende verzorging. De staatssecretaris had [naam 4] de kans moeten geven de gezondheidstoestand van de schapen te verbeteren aangezien hij bedrijfsmatig veel ervaring heeft met het opkopen, oplappen en weer verkopen van (zwakke) rammen. Bijvoeren was direct ter plaatse mogelijk, hij beschikte over voer, en de kreupelheid en schurft hadden meteen in het veld behandeld kunnen worden. Een last onder dwangsom was volgens [naam 3] passender geweest.
9.3
In artikel 5:31, eerste lid, van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen kan besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Op grond van het tweede lid kan, als de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, meteen bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk daarna alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt. Op grond van artikel 5:29, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan, voor zover de toepassing van bestuursdwang dat vereist, zaken meevoeren en opslaan. Beoordeeld moet worden of de staatssecretaris gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om zonder voorafgaande last bestuursdwang toe te passen. Het College betrekt bij deze beoordeling of betrokkene in staat is op korte termijn zelf de noodzakelijke maatregelen te nemen om de overtredingen te beëindigen, dan wel of het mogelijk is om op korte termijn verbetering aan te brengen en of er alternatieven bestonden voor adequate huisvesting en verzorging. Dat volgt uit vaste rechtspraak van het College (zie de uitspraken van 31 januari 2018, ECLI:NL:CBB:2018:63, en 16 mei 2023, ECLI:NL:CBB:2023:230).
9.4
Gelet op de waarnemingen van de toezichthouders, de veterinaire verklaring van de dierenarts en de (medische) verzorging die na het meevoeren bij de opslaghouder is geboden, is naar het oordeel van het College vast komen te staan dat het overgrote deel van de meegevoerde schapen in een zo slechte conditie verkeerde dat (medische) verzorging meteen nodig was. De aangetroffen situatie op de percelen van [naam 4] is gedetailleerd en uitgebreid beschreven in het rapport van bevindingen. Deze bevindingen worden ondersteund door een veterinaire verklaring, opgesteld door een dierenarts van de NVWA, en foto’s van de aangetroffen situatie. De staatssecretaris heeft veel gewicht mogen toekennen aan deze veterinaire verklaring waarin wordt geadviseerd om alle dieren, waar meer dan de gebruikelijke dagelijkse verzorging voor nodig was, mee te voeren en op te slaan voor noodzakelijke intensieve zorg en behandeling omdat langer uitstel van deze zorg en behandeling de prognose zou doen verslechteren en onomkeerbare schade kon veroorzaken. Vanwege het gebrek aan bescherming van de huid en de vacht, de hongerige toestand waarin de schapen verkeerden en het vooruitzicht op slechte weersomstandigheden in combinatie met de sterk verzwakte toestand van de schapen waarvoor (medische) zorg geboden was, was het noodzakelijk die dieren in een stal onder te brengen. Op het terrein waar de dieren zijn aangetroffen was die voorziening niet aanwezig. Het betoog van [naam 4] dat zijn bedrijfsvoering erop is gericht om zwakkere schapen aan te kopen, doet naar het oordeel van het College niet af aan de constateringen van de dierenartsen dat veel dieren meteen de nodige (medische) zorg nodig hadden. Gezien de eigen verklaring van [naam 4] dat de schapen niets tekortkwamen en de vaststelling dat hij de schapen al op 19 januari 2023 had verkregen en dat ze er op 8 februari 2023, tijdens het bezoek van de NVWA, zeer slecht aan toe waren, was er geen zicht op verbetering door het handelen van [naam 4] . Onder deze omstandigheden heeft de staatssecretaris de situatie ten tijde van de controle van 8 februari 2023 als spoedeisend kunnen aanmerken. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat, gezien de ernst van de aangetroffen situatie en de houding van [naam 4] , er geen zicht op was dat [naam 3] op korte termijn zelf de noodzakelijke maatregelen zou nemen om de overtredingen te beëindigen en dat er geen alternatieven bestonden voor adequate huisvesting en verzorging anders dan door het meevoeren van de schapen.
9.5
De staatssecretaris was gezien het voorgaande bevoegd spoedbestuursdwang toe te passen. Het beroep van [naam 4] tegen het spoedbestuursdwangbesluit slaagt gezien het voorgaande niet.
Kostenbesluit
10 Op grond van artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb is het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege mede gericht tegen het kostenbesluit, nu dit wordt betwist. Op de zitting heeft de staatssecretaris erkend dat hij de camerakosten van € 140,- ten onrechte in rekening heeft gebracht. Dit betekent dat het beroep tegen het kostenbesluit slaagt.
Overschrijding redelijke termijn
11.1
Over het verzoek van [naam 4] om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, overweegt het College het volgende. In deze zaak geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn maximaal twee jaar is. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door de staatssecretaris is ontvangen en loopt tot de datum waarop het College uitspraak heeft gedaan.
11.2
Het bezwaarschrift van [naam 4] is op 4 april 2023 door de staatssecretaris ontvangen. De staatssecretaris heeft op 29 augustus 2023 op het bezwaar tegen het spoedbestuursdwangbesluit beslist. Met de uitspraak van vandaag is de procedure geëindigd en is de redelijke termijn overschreden met één jaar en twee maanden. Dit betekent dat [naam 4] recht hebben op € 1.500,- schadevergoeding. De behandeling van het bezwaarschrift heeft niet meer dan een half jaar in beslag genomen. De behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit heeft meer dan anderhalf jaar geduurd. Het College zal daarom de Staat veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding aan [naam 4] .
Conclusie en proceskosten
12.1
De beroepen van [naam 4] en Veehandel BV tegen het bestreden besluit zijn ongegrond.
12.2
Het beroep van [naam 4] tegen het kostenbesluit is gegrond. Het College zal het kostenbesluit vernietigen. Het College zal zelf in de zaak voorzien en de te betalen kosten vaststellen op € 19.583,69 en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde kostenbesluit. Dit betekent dat de staatssecretaris € 140,- moet terugbetalen.
12.3
Het College zal de staatssecretaris veroordelen in de door [naam 4] in beroep gemaakte proceskosten. Het College stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
12.4
Het College zal de Staat veroordelen in de door [naam 5] gemaakte kosten voor het doen van het verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. [naam 5] hebben recht op vergoeding van € 467,- (1 punt voor doen van het verzoek met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

Het College:
  • verklaart de beroepen van [naam 4] en Veehandel BV tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • verklaart het beroep van [naam 4] tegen het kostenbesluit gegrond;
  • vernietigt het kostenbesluit voor wat betreft het bedrag van de kosten;
  • stelt het bedrag van kosten van bestuursdwang die ten laste van de overtreder kunnen worden gebracht, vast op € 19.583,69 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het kostenbesluit;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan [naam 5] van een vergoeding voor immateriële schade van € 1.500,-;
  • draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 365,- aan [naam 4] te vergoeden;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van [naam 4] tot een bedrag van € 1.868,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van [naam 5] tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, mr. T. Pavićević en mr. H.R. Kranenborg, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. M. Ettema
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:25, eerste lid,
1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
Artikel 5:29, eerste, derde en vijfde lid,
1. Voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt, kan het bestuursorgaan zaken meevoeren en opslaan.
3 Het bestuursorgaan draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende.
5 Indien de rechthebbende niet tevens de overtreder is, kan het bestuursorgaan de teruggave opschorten totdat de kosten van bewaring zijn voldaan.
Artikel 5:31
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.
2 Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.
Artikel 5:31c, eerste lid,
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder bestuursdwang heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot toepassing van bestuursdwang of op een beschikking tot vaststelling van de kosten van de bestuursdwang, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
Wet dieren
Artikel 8.5
Onze Staatssecretaris is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Besluit houders van dieren
Artikel 1.6, derde lid,
3 Een dier wordt, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren.
Artikel 1.7, aanhef en onder c en e,
Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:
c. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd;
e. een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier;
Artikel 2.4, vijfde lid,
5 Wanneer de zorg, bedoeld in artikel 1.7, aanhef en onderdeel c, geen verbetering in de toestand van het dier brengt, wordt zo spoedig mogelijk een dierenarts geraadpleegd.